pseudo arts keuring prive film sex

...

In de opvoeding van de kinderen speelden het katholicisme en het Beiers regionaal-nationalisme een belangrijke rol. Het gezin Himmler had goede banden met het Beierse koninklijk huis. Heinrich had gedurende zijn jeugd een slechte gezondheid. De compensatie voor zijn lichamelijke zwakte bestond uit hard studeren.

Hij behaalde het diploma aan het gymnasium van Landshut. Hij toonde op het gymnasium een grote belangstelling voor geschiedenis, oude talen en godsdienst. Tijdens de laatste weken op het gymnasium brak de Eerste Wereldoorlog uit en Heinrich droomde van een carrière als marineofficier. Vanwege zijn bijziendheid werd hij bij de keuring geweigerd.

Ook later in zijn leven was Himmlers gezondheid slecht. Himmler leed aan maagkrampen en liet zich daarvoor masseren door Felix Kersten , die van zijn invloed op zijn patiënt gebruik maakte om diens misdaden ten minste enigszins te temperen.

Himmler verwisselde zijn katholiek geloof al snel voor occultisme , spiritisme en neopaganisme ; hij wisselde Beiers regionalisme in voor Groot-Germaanse idealen. Binnen het studentencorps was de jonge Heinrich vanwege zijn zwakke gezondheid en maagklachten vrijgesteld van het duelleren en het drinken van bier.

Bij de landmacht werd Himmler in het voorjaar van toegelaten als officiersrekruut; hij rondde zijn opleiding in af, toen de oorlog al voorbij was. Tot dan toe was Himmler vaandeldrager bij het 11e Beierse Regiment. Van tot en met studeerde Himmler landbouwkunde aan de Technische Hogeschool van München. In die tijd stond hij bekend als een zonderling die bij zijn medestudenten weinig in de smaak viel.

Teneinde dit te verbeteren werd hij lid van verschillende studentenverenigingen. Op 1 augustus studeerde Himmler af en trad hij vrijwel meteen in dienst bij meststoffenbedrijf Stickstoff-Land in Schiesheim. Dit dienstverband duurde slechts enkele maanden — een groot deel van de periode februari tot en met juni was hij werkloos.

In datzelfde jaar, op 8 november , nam hij als vlaggendrager deel aan de bezetting van het Beierse Ministerie van Oorlog in München tijdens de Bierkellerputsch. De staatsgreep mislukte en het duurde tot voordat de kansen zich voor Himmler drastisch in zijn voordeel zouden keren. Na de putsch werd Himmler — in tegenstelling tot Adolf Hitler, Ernst Röhm , Rudolf Hess en Hermann Göring de laatste vluchtte naar Oostenrijk en ontliep zijn straf — niet als crimineel veroordeeld door de Beierse regering.

Himmler begon in voor Gregor Strasser te werken. Dit leverde hem in de functie van plaatsvervangend gouwleider Gauleiter van Niederbayern - Oberpfalz op. Ondanks zijn succes in de politiek bleef Himmler een romantische fascinatie voor het boerenleven houden en toen hij in de bruidsschat van zijn huwelijk met de welgestelde Margarethe Boden in ontvangst nam, richtte hij zijn eigen landbouwbedrijf op waar hij kippen fokte.

Vanaf zat hij voor de nazipartij in de Rijksdag. In augustus kreeg Himmler een dochter Gudrun , later ook wel de Nazi-prinses genoemd. In maart adopteerde het gezin de vierjarige Gerhard von der Ahé , de zoon van SS-militair Kurt von der Ahé die eerder bij straatgevechten was doodgeschoten. De jarige Gerhard trad vrijwillig in dienst bij de Waffen-SS aan het Oostfront maar werd al snel daarna een Russisch krijgsgevangene. Het huwelijk tussen Heinrich en Margarete was slecht en in verliet Himmler zijn vrouw, dochter en adoptiezoon.

Himmler leefde jarenlang samen met zijn maîtresse , Hedwig Potthast. Zij kregen een zoon en een dochter, [3]. Albert Speer schreef in zijn memoires dat Himmler in het diepste geheim een groot landhuis Haus "Schneewinkellehen" in Schonau voor hen liet bouwen in de omgeving van Berchtesgaden in de Beierse alpen. Adolf Hitler en Himmler konden het vanaf hun eerste ontmoeting in zeer goed met elkaar vinden. Himmler constateerde bij Hitler het ontbreken van een daadkrachtig kader op dat laatste gebied, en kreeg in zijn nieuwe rol als plaatsvervangend rijkspropagandaleider binnen de NSDAP voldoende ruimte om een visie te ontwikkelen die uiteindelijk als basis zou dienen voor de rassenpolitiek van Hitlers regering.

Himmler werd daarbij mede geïnspireerd door de ideeën van generaal Karl Haushofer , hoogleraar geopolitiek aan de universiteit van München en mentor van Rudolf Hess en indirect van Adolf Hitler. Al meteen bij zijn vaste aanstelling binnen de gelederen van de NSDAP opperde Himmler zijn idee van een militaire elite die onvoorwaardelijk trouw zou zijn aan de führer en zijn groten. Hitler steunde hem hierin, daar hij de steeds machtiger wordende ondergrondse Sturmabteilung SA , onder leiding van Röhm, niet meer vertrouwde als machtswerktuig.

Toen Hitler in december vrijkwam, wilde hij de macht uitsluitend nog op legale wijze verwerven en degradeerde hij de SA tot ordehandhavers en ledenwervers. Deze motie werd bekrachtigd door het vertrek van Röhm naar Bolivia , na een openlijke ruzie met Hitler.

Onder invloed van Himmler richtte Hitler samen met Julius Schreck en Hermann Göring in april de Schutzstaffel letterlijk vertaald: Alhoewel Schreck direct bij de oprichting van de SS benoemd werd tot Reichsführer-SS en formeel de leider van de organisatie werd, was het Himmler die de kenmerkende cultus van tucht en trouw in het leven riep.

Toen Himmler op 6 januari benoemd werd tot Reichsführer-SS , brak er voor de SS een periode van nieuwe groei aan. Himmler wist de paramilitaire organisatie uit te breiden tot een zeer veelzijdig orgaan dat in de loop van de jaren 30 van de 20e eeuw vele facetten van de besturing van het Derde Rijk naar zich toe wist te trekken.

Himmler was van mening dat er binnen de remilitarisatie van het Grootduitse Rijk uitsluitend plaats was voor een trouwe groep militairen, belichaamd door de SS. In deze periode liep Himmlers door paranoia geplaagde geest over van de ideeën, maar hij kon maar geen geschikte assistent vinden om hem te helpen bij het uitwerken ervan, tot een van zijn vrienden hem op Reinhard Heydrich wees.

Himmler was direct onder de indruk van de kwaliteiten van deze man en Heydrich werd in juni aangenomen. Göring was aanvankelijk niet van plan zijn Gestapo-project uit handen te geven, maar deed dit toch om de vernietiging van Röhm en zijn SA te bespoedigen; de Gestapo was in de handen van de handige Himmler en de efficiënte Heydrich een machtig wapen dat op 29 juni de val van de SA mede veroorzaakte. Himmler was al jaren een voorstander van een opname van het politieapparaat in de SS en op 17 juni ontstond die gelegenheid toen Reichskanzler Hitler hem tevens benoemde tot Chef der Deutschen Polizei.

De Reichsführer SS zag zijn kans schoon en begon aan een grote reorganisatieklus waarbij hij het hele staatspolitieapparaat opnam in de SS. Dit was de eerste stap op weg naar de totale militarisatie van het nazi-Duitsland , want de veiligheid van de burgers werd nu in handen van een paramilitaire organisatie gelegd. Himmler richtte toen ook de Ordnungspolizei Orpo op, die verantwoordelijk was voor algemene, ondersteunende politietaken in de burgerlijke sfeer.

Daarmee schiepen Heydrich en Himmler de basis voor de gemilitariseerde en gemechaniseerde uitroeiing van miljoenen mensen. Op 30 maart lichtte Himmler de pers in over de stichting van het eerste Duitse concentratiekamp nabij Dachau, dat op 20 maart officieel in gebruik genomen was. Himmler gaf aan dat het kamp nodig was voor het opbergen van 'ongewenste elementen' zoals bolsjewieken en sociaaldemocraten.

Eicke stond bekend als een man die zich geregeld schuldig gemaakt had aan keiharde acties, waaronder gruwelijke moorden met bijlen en knuppels, om zijn politieke idee richting te geven. Himmler gaf de uitdrukkelijke voorkeur aan Eicke als Lagerkommandant , wegens zijn hardhandige reputatie bij SA en SS, maar vooral wegens zijn onvoorwaardelijke trouw aan Hitler en zijn geordende manier van werken.

Wäckerle had zich de onvrede van het Beierse gerechtshof op de hals gehaald wegens de gruwelijke onregelmatigheden die zich in Dachau afspeelden. Himmler wilde met de aanstelling van Eicke een signaal van betrouwbaarheid afgeven aan het Beierse hof. Zodoende haalde hij Eicke uit de psychiatrische kliniek van Würzburg en stelde hem op 26 juni officieel aan als Lagerkommandant van Konzentrationslager Dachau.

Vanaf die dag ook zouden concentratiekampen en de SS onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Maar het was vooral Eickes handelen in diens kampopzichterscarrière, dat zou leiden tot gruwelijke misdaden die pas na de bevrijding in volledig aan het licht kwamen.

Himmler was erg tevreden over Eicke. Vooral omdat Eicke op 1 oktober beleidsvoorschriften voor de behandeling van gevangenen Dienstvorschriften für die Begleitungsposten und Gefangenenbewachung en Disziplinar- und Strafordnung für das Gefangenenlager van kracht liet worden in Dachau, waarover Himmler zeer te spreken was.

Bovendien zouden Eickes onmenselijke kampregels gemeengoed worden in alle nog op te richten concentratiekampen. Om erop toe te zien dat de kampregels werden nageleefd richtte Eicke, in overeenstemming met Himmler, in oktober de SS-Totenkopfverbände op.

Deze SS-afdeling zou belast worden met de bewaking, het toezicht, de martelingen en de uitroeingshandelingen in de concentratiekampen. De afdeling zou een waar schrikbewind gaan voeren in de kampen en vele leden begingen onder ede gruwelijke misdaden tegen de mensheid. Op 10 december stelt Himmler alle concentratiekampen officieel onder Eickes bewind. Himmler volgde het idee van Hitler, die een voorstander was van gedwongen emigratie. De term Konzentrationslager werd voor het eerst door Reinhard Heydrich in de mond genomen met de ideeën van Adolf Eichmann in zijn achterhoofd.

Eichmann bestudeerde in opdracht van Himmler vrijwel de gehele Joodse cultuur. Hij verdiepte zich in het Zionisme en wilde het Jiddisch en de Hebreeuwse taal leren de rabbijn wilde hier echter niet aan meewerken. Eichmann was medio dé toonaangevende expert op het gebied van Joden in het Derde Rijk; een expert die het niet zo best voor had met Joden, want zijn Referat II beval in januari in een intern rapport, pogroms aan als ideaal pressiemiddel voor emigratie van Joden.

Daaropvolgend stuurde Himmler Eichmann in april naar Palestina om de mogelijkheden van Joodse immigratie met Zionistische leiders ter plekke te bespreken. Door tussenkomst van het Verenigd Koninkrijk , dat sinds over Palestina mandateerde , keerde hij met lege handen terug.

Eichmanns eindconclusie van deze reis was dat de stichting van een Joodse staat in Palestina het Derde Rijk niets op zou leveren. Er moesten andere gebieden gezocht worden, vond Himmler.

Maar Eichmann vond het veel belangrijker om een centrum op te richten dat de Joodse emigratie zou regelen en daar bovendien nog geld aan zou kunnen verdienen ook.

Het ZJA rekende torenhoge bedragen voor emigratiepapieren en confisqueerde alle eigendommen van deze emigranten. Er zouden in de loop van de oorlog nog veel meer Zentralstellen verrijzen in Europa en het zouden allemaal broeinesten van mensonterende praktijken en corruptie worden.

Himmler en Heydrich waren derhalve zeer tevreden met de sluwe Eichmann. Ondertussen hamerde Himmler namens Hitler op de verkenning van nieuwe geografische opvanggebieden voor Joden en andere ongewensten. Eichmann haalde een plan uit de kast dat al in de jaren 20 van de 20e eeuw geuit was door verschillende antisemitische regeringsfunctionarissen van onder andere Frankrijk, Groot-Brittannië en Polen; het ' Madagaskarplan '.

In het voorjaar van reisde Eichmann in opdracht van Himmler naar Madagaskar. Hitler, Eichmann, Himmler en Heydrich waren de enigen die in van het bestaan van het Madagaskarplan af wisten. Eichmann blies het plan uiteindelijk in het voorjaar van af wegens tegenwerking van Vichy-Frankrijk , dat bang was zijn kolonie te moeten opgeven. Ook was de overmacht van de Britse marine op zee te groot om het militair begeleid vervoer van de Joden goed te laten verlopen. Het werd ontwikkeld vlak na de inname van Polen op 1 september Hierbij was het de bedoeling dat alle Joden via het doorgangskamp in Nisko zouden worden getransporteerd naar een Joodse staat in de regio van Lublin.

Het plan zou uiteindelijk eveneens niet doorgaan wegens de mogelijke vergroting van de werkloosheid van etnische Duitsers in die streek.

Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander:.

In afwijking van artikel 2: Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve dieren. Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren:.

Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gesteld gebod. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover de Provinciale ophokverordening van toepassing is.

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.

Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.

Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen. Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 Toezicht op horecabedrijven onder artikel 2: In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari , houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk Vuurwerkbesluit van toepassing is.

Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd. Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel , aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Onder carbidschieten wordt verstaan: Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet gedurende de in het Vuurwerkbesluit vermelde tijden waarop het is toegestaan consumentenvuurwerk tot ontbranding te brengen indien:.

De burgemeester kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast, of in het belang van de natuurbescherming, plaatsen in de gemeente aanwijzen waar het gestelde in het derde lid niet van toepassing is.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen. De burgemeester kan overeenkomstig artikel a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de navolgende artikelen van deze verordening groepsgewijs niet naleven:. De burgemeester kan overeenkomstig artikel b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere openbare plaatsen:. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen, die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet Wapens en Munitie en voorzover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: Met het oog op de in artikel 3: Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke.

Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:.

Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet:. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld:. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:. De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3: Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven op maandag tot en met zondag tussen Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1: Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.

Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Onverminderd het bepaalde in artikel 3: Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3: De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting:. Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken.

Het is de rechthebbende op, huurder of gebruiker van een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel of seksboetiek, waar seksartikelen aan particulieren plegen te worden aangeboden, in gebruik te nemen of te hebben. Een ontheffing als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend indien geen strijd ontstaat met de in artikel 3: Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:.

Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. De vergunning bedoeld in artikel 3: Beëindiging exploitatie; wijziging beheer. De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3: Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3: Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3: In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.

Op het exploiteren van een bestaande seksinrichting of escortbedrijf is het gestelde in artikel 3: Gedurende de periode bedoeld in het eerste lid, kan het bevoegd bestuursorgaan met het oog op de in artikel 3: Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB A , gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. De geluidswaarde als bedoeld in het vijfde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB A toeslag vanwege muziekcorrectie.

Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2. Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 dag of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.

Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. Aan de kennisgeving kunnen voorwaarden worden verbonden.

De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. Het LAr,LT veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 70 dB A , gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2. De geluidsnorm is exclusief 10 dB A aftrek vanwege muziekcorrectie. De geluidsnorm als bedoeld in het zevende lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2. LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen.

LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen. LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen. LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen. Voor de duur van 6 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de uren tussen 7. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.

Het eerste lid geldt niet indien artikel 4: Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit machines, toestellen of geluids apparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening.

Degene die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluid hinder veroorzaakt.

Het is verboden zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluid hinder ontstaat. Het is verboden met een vrachtauto als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.

Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging. Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Het college kan gebieden aanwijzen waar zij bijzondere regels kan stellen in het kader van de bescherming van het milieu. Het bewaren van houtopstanden. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:.

Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een door hem aangeduid voorwerp of stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale Verordening.

Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren die vanaf de weg zichtbaar is.

Het verbod in het eerste lid geldt niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits:. Onverminderd het bepaalde in artikel 1. De weigeringsgrond van het tweede lid onder a geldt niet voor bouwwerken;. De weigeringsgrond van het tweede lid onder b geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 40 van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.

Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. Onverminderd het bepaalde in artikel 1: Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 4: Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4: Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente.

Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:.

Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter of een breedte van meer dan 2,05 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een breedte van meer dan 2,05 meter te parkeren op wegen of weggedeelten binnen de bebouwde kom, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. Het college kan openbare plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op een openbare plaats te laten staan. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.

Het college kan onder door hem te stellen voorschriften vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen. In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan. Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Het verbod van artikel 5: De weigeringsgrond van artikel 5: Het college houdt de aanvraag om een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag een activiteit betreft waarvoor tevens een vergunning als bedoeld in artikel 8. In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren. Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.

Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, het Rijnvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.

Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:.

Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of de Provinciale landschapsverordening. Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5: De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of de Provinciale landschapsverordening.

Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5: Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening. Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. Het is verboden zonder vergunning van het college een bestuurbare motorboot of enig ander gemotoriseerd vaartuig dan wel een radiografisch bestuurbare boot in een door het college aangewezen gedeelte van het openbaar water in werking te hebben.

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, deWet beheer rijkswaterstaatswerken of het Reglement van het waterschap. Het college kan, op de gebruikelijke wijze bij openbare kennisgeving, plaatsen of gedeelten van de gemeente aanwijzen waar het niet geoorloofd is in het openbaar te baden, te zwemmen of zonnebaden te nemen.

Zij kunnen die aanwijzing beperken tot in hun openbare kennisgeving vermelde dagen en uren. Het is verboden in het openbaar te baden, te zwemmen of zonnebaden te nemen op plaatsen en tijden als overeenkomstig het bepaalde in de leden 1 en 2 van dit artikel aangewezen zijn. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens , een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens of met een fiets of een paard.

Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:.

Verbod vuur te stoken. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel , aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.

In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.

Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden. Straf-, overgangs- en slotbepalingen. Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1: Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. De Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zevenaar met inbegrip van de latere wijzigingen, wordt ingetrokken gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zevenaar Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 2.

Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6: Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een besluit - hoe ook genaamd - op grond van de verordening bedoeld in artikel 6.

Op een aanhangig beroep- of bezwaarschrift, betreffende een besluit, bedoeld in het eerste lid, dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 6. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een besluit - hoe ook genaamd - van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereist besluit, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend.

Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een besluit vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in de verordening als bedoeld in artikel 6. Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zevenaar. Toelichting Algemene plaatselijke verordening Algemene plaatselijke Verordening Gemeente Zevenaar In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd.

Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen.

Bij de wijziging van zijn een aantal definities vervallen of verplaatst:. De definitie van voertuigen het oude nummer 1. Deze begripsomschrijving wordt maar op enkele plaatsen in de APV gebruikt. Voertuigen worden waarnodig voortaan op die plaats gedefinieerd. Hetzelfde geldt voor vaartuigen het oude nummer 1. De definitie van vee het oude nummer 1. Door aan te sluiten bij de Meststoffenwet ontstond een enigszins willekeurige groep dieren die onder de APV kwamen te vallen, er daarmee een al even willekeurige groep die daar dus niet onder viel.

Verder is "vee" een welomschreven begrip uit het dagelijks spraakgebruik, dat verder geen definitie nodig heeft om in een juridische tekst bruikbaar te zijn. Over de in artikel 1: Een openbare plaats Zoals hiervoor aangegeven is de definitie van weg in de APV aanzienlijk beperkt. Dat brengt met zich mee dat de werking van artikelen in dit model waar sprake is van de weg een veel beperktere werking hebben dan daarvoor. De bevoegdheid van de gemeente gaat verder dan dat.

In artikelen waar het de bedoeling is om zaken te regelen op plaatsen die niet tot de weg kunnen worden gerekend, is gekozen voor de term "een openbare plaats". Daarmee is beoogd om die plaatsen aan te duiden die voor deze wijziging onder het al te brede begrip weg vielen:.

Weg Een aantal van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op verboden gedragingen "op of aan de weg". Dat verschilt aanzienlijk van de oude omschrijving, waar praktisch iedere publiek toegankelijke ruimte onder het begrip "weg" viel. Daarop is kritiek gekomen, met name omdat het begrip "weg" op die manier wel erg ver af kwam te staan van wat het normale spraakgebruik daaronder verstaat.

In de aanwijzingen voor de decentrale regelgeving is juist aangegeven dat het normale spraakgebruik zoveel mogelijk moet worden gevolgd aanwijzing Bij die artikelen waarvan het duidelijk de bedoeling is dat er zaken worden geregeld die zich niet alleen op of aan de weg afspelen, is gekozen voor de omschrijving "openbare plaats".

In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip "weg":. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna ;.

In eerdere versies van deze toelichting was op deze plaats een nogal uitvoerige verhandeling opgenomen over de betekenis van het begrip "weg" in de Wegenwet en de Wegenverkeerswet. De volledigheid ging hier ten koste van de leesbaarheid en overzichtelijkheid.

Ook valt te betwijfelen of er aan deze theoretische achtergrond veel behoefte bestond. Vandaar dat deze paragrafen zijn geschrapt.

Uiteraard zijn de teksten op verzoek nog wel beschikbaar. Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op verboden gedragingen "op of aan de weg". De term "aan de weg" duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt. Ook treinstations vallen buiten het bereik van de APV.

Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations. Openbaar water Een "openbaar water" in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat open staat voor het publiek. Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is of kan beperkt zijn tot de bebouwde kom.

Voor het begrip "bebouwde kom" kan aangesloten worden bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, lid 2, van de Wegenwet. Voor de duidelijkheid zou de grens van de bebouwde kom op een topografische kaart weergegeven kunnen worden en als bijlage bij de APV gevoegd kunnen worden. Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht. Bouwwerk Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de Model- bouwverordening: Gebouw Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: Handelsreclame In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame commerciële reclame met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst.

Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.

Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip "reclame" dient te worden verstaan: Door dit te beperken tot "handelsreclame" heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden.

Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel.

Die is van toepassing op de vergunning voor aanleg of veranderen van een weg artikel 2: De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.

De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister.

Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. Zie verder ook de toelichting bij de artikelen 2: Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester.

De Wabo brengt hierin geen verandering. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In dit model hebben wij de beslistermijn vastgesteld op acht weken eerste lid. Dit is gelijk aan de maximumtermijn die in artikel 4: Uiteraard kan een gemeente ook kiezen voor een andere, kortere, beslistermijn of zelfs voor per type besluit verschillende beslistermijnen. Dit laatste doet bij uitstek recht aan het algemeen beginsel dat elke termijn redelijk moet zijn.

Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn hebben we in het model op acht weken gesteld tweede lid.

Ook hier geldt dat een individuele gemeente een andere termijn kan vastleggen. Uitgangspunt blijft altijd dat die termijn redelijk moet zijn. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan.

Dienstenrichtlijn Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld.

De achtweken-termijn van artikel 1: Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp.

Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit criterium. De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht worden. Het derde lid is een implementatie van deze verplichting. Ontvangstbevestiging Indien de Dienstenrichtlijn van toepassing is, wordt op grond van artikel 13, vijfde lid de ontvangst van elke vergunningaanvraag zo snel mogelijk bevestigd.

De ontvangstbevestiging moet de volgende informatie bevatten: Het gaat hier om toepassing van de lex silencio. Een bevoegde instantie bevestigt eveneens de ontvangst van een melding die een dienstverrichter krachtens wettelijk voorschrift bij een bevoegde instantie dient te verrichten, indien door het doen van die melding en een bij wettelijk voorschrift bepaald tijdsverloop een voorwaarde wordt vervuld voor toegang tot of de uitoefening van een dienst.

Opschorting van de termijn Op grond van de Dienstenrichtlijn gaat de termijn pas in op het tijdstip waarop alle documenten zijn ingediend. Artikel 13, zesde lid bepaalt dat wanneer een aanvraag onvolledig is, de aanvrager zo snel mogelijk wordt meegedeeld dat hij aanvullende documenten moet verstrekken, en, in voorkomend geval, welke gevolgen dit heeft voor de in artikel 13, derde lid, bedoelde termijn.

Hiermee wordt bedoeld dat moet worden meegedeeld dat de termijn pas aanvangt als de gevraagde documenten zijn ontvangen. Deze regeling wijkt af van die van artikel 4: Als de aanvraag is aangevuld, loopt de termijn weer verder door. De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel 3.

Inhoudelijk is er niets veranderd. Het derde lid is toegevoegd omdat artikel 3. De wegaanlegvergunning art 2: De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning of ontheffing die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht Mor. De algemene indieningsvereisten staan in artikel 1. De aanvrager voorziet de aanvraag van een aanduiding van de locatie van de aangevraagde activiteit of activiteiten.

De aanvrager doet bij de aanvraag een gespecificeerde opgave van de kosten van de te verrichten werkzaamheden. In Hoofdstuk 7 van de Mor staan nog bijzondere indieningsvereisten. Daarvan zijn in het kader van de APV alleen die voor het vellen van houtopstanden van belang. Zie daarvoor de toelichting bij artikel 4: Als algemene richtlijn wordt daarom een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige artikel "kan" laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten behandeling hoeft te worden gelaten.

Voor vergunningen die niet binnen drie weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht weken. Vanzelfsprekend kan ook een langere of kortere termijn worden vastgelegd. Als wordt overwogen voor verschillende APV-vergunningen of -ontheffingen verschillende termijnen vast te leggen, dan dient iedere afwijking van de algemene regel in het betreffende onderdeel van de APV te worden vastgelegd.

Gemeenten die met een systematiek werken die inhoudt dat een vergunning voor een bepaald jaar vóór 1 december van het daaraan voorafgaande jaar moet worden aangevraagd, kunnen dit expliciet bepalen en bekendmaken. Er kan ook een regeling voor te vroeg ingediende aanvragen worden opgenomen. In het model is hiervoor niet gekozen omdat er in de praktijk weinig behoefte aan is. Als een aanvraag echt veel te vroeg wordt gedaan en dan nog niet kan worden beoordeeld, volstaat een gemotiveerde mededeling daarvan aan de aanvrager.

Herhaalde aanvraag artikel 4: Daar was meer dan tien jaar verlopen tussen beide aanvragen, en de Afdeling oordeelde dat er geen sprake was van een herhaalde aanvraag, omdat één aanvraag was gebaseerd op de Wet openbaarheid van bestuur, en de andere op de Archiefwet.

Toch verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij moet ook - ten overvloede - worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld.

Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties.

De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede lid van artikel 1: Uiteraard is bestuursdwang niet mogelijk, wanneer alleen voorschriften zijn overtreden, die slechts beogen het toezicht op de naleving van de vergunning of ontheffing te vergemakkelijken, maar geen verband houden met de bescherming van het belang of de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing is vereist.

Dienstenrichtlijn Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden verbonden, dienen hieraan te voldoen. Zie voor wat onder dwingende reden van algemeen belang en evenredigheid wordt verstaan: Op grond van het vijfde lid van artikel 10 wordt de vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan de vergunningvoorwaarden is voldaan.

Het derde lid zegt, dat de vergunningvoorwaarden voor een nieuwe vestiging gelijkwaardige, of gezien hun doel in wezen vergelijkbare, eisen en controles waaraan de dienstverrichter al in een andere of dezelfde lidstaat onderworpen is, niet mogen overlappen. In de in deze model-APV opgenomen algemene strafbepaling artikel 6: Daardoor staat ook straf op het overtreden van aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften.

De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt of dit uit de aard van de vergunning voortvloeit. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet.

Een persoonlijke vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat. Als een vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn rechtsopvolger geldt, is het verstandig een voorschrift op te nemen dat de houder van de vergunning of ontheffing verplicht binnen twee weken schriftelijk te melden dat hij zijn vergunning heeft overgedragen, met vermelding van de naam en het adres van de nieuwe houder van de vergunning of ontheffing.

Literatuur Voor de overdraagbaarheid van APV-vergunningen, zie: Knijff, Rechtsopvolging bij vergunningen in de gemeentepraktijk, GS , , onder 3. Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking.

Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen artikel 4: Vergunningvoorwaarden konden bepalen dat de vergunning of ontheffing periodiek moest worden verlengd. Het streven naar lastenvermindering voor burger en overheid en toetsing aan de Europese Dienstenrichtlijn hebben ertoe geleid in artikel 1: Artikel 11 van de Dienstenrichtlijn stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: Deze procedure moet transparant en onpartijdig zijn en de verleende vergunning mag niet buitensporig lang geldig zijn, automatisch worden verlengd of enig voordeel toekennen aan de dienstverrichter wiens vergunning net is komen te vervallen.

In het bijzonder moet de geldigheidsduur zodanig worden vastgesteld dat de vrije mededinging niet in grote mate wordt belemmerd of beperkt dan nodig is met het oog op de afschrijvingen van de investeringen en een billijke vergoeding van het geïnvesteerde kapitaal.

Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.

Zie voor de betekenis van "een dwingende reden van algemeen belang" bij de toelichting onder artikel 1: Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken.

De noodzaak daarvoor ontbreekt. Vergunningstelsels kenden tot vervolgens een artikellid of -leden met weigeringsgronden. Deze werden op verschillende manier omschreven wat suggereerde dat in verschillende bepalingen materieel andere weigeringsgronden golden. Dit was meestal niet het geval. In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is kritisch naar de weigeringsgronden gekeken. We hebben ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen de model-APV ervoor gekozen om in Hoofdstuk I algemene weigeringsgronden te benoemen.

In de afzonderlijke vergunningstelsels zijn de betreffende artikel led en vervallen.

Pseudo arts keuring prive film sex

Geile nuru massage gangbang maastricht

MEIDEN DIE ELKAAR BEFFEN LEKKER WIJF VINGERT

Eenieder is verplicht bevelen van een ambtenaar van politie op te volgen en zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:. Himmler onderhandelde ook met leden van een Joodse organisatie, het Joodse wereldcongresover het vrijlaten van de Joodse gevangenen. Zie de gebruiksvoorwaarden voor meer massage erotik buurman neukt buurvrouw. De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:. Die bevoorrechting diende volgens hem vorm te krijgen in de verheerlijking van de SS'er, maar ook in de opzet van allerlei 'fokprogramma's' die hij uitvaardigde om het Arische SS-bloed wijder verbreid te krijgen.