naakt pissen marokkaanse hoeren sex

Zondagmorgen vroeg hadden we de afspraak met de ­begrafenisman. Hij droeg een zwart pak en een hoed en toen hij binnenkwam, zag ik meteen dat hij een kater had. En niet een beetje, nee, een onvervalste driesterrenkater, een klasse-exemplaar, neem dat van mij aan, want ik heb er verstand van. Ik heb katers gehad, dat wil je niet weten. In de binnentuin waar wij op uit kijken, was het een drukte van belang. Ik zat aan tafel en schreef een brief aan een vriendin die ik heb leren kennen in de zomer van De vakantieliefde van vorig jaar, voor wie ik naar Canet-Plage gekomen was, was voorbij en ik was in mijn dooie eentje naar het strand gegaan.

Nadat ik mijn handdoek in het zand had gelegd, zag ik dat er een eindje verderop onder een grote parasol drie meisjes zaten. Eentje in een blauw badpak, eentje met een zwarte strooien hoed op en een met hagelwitte tanden. Wat een leuke meisjes, dacht ik, maar zij zaten daar en ik stond hier en hoe ik hier in daar moest veranderen, wist ik niet. Daarom liep ik naar zee en dook in de golven. Toen ik weer opgedoken was en naar mijn handdoek liep, was hij verdwenen.

Het was het meisje in het blauwe badpak dat met mijn handdoek naar mij zwaaide als met een zakdoek naar een vertrekkend schip. In mijn jaarlijkse brief aan haar haalde ik herinneringen op aan haar vader, die Gauloises rookte in maispapier, aan de pingpongtafel in de tuin voor hun huis aan zee, aan Capri, de hond en aan de ­Canigou natuurlijk, die altijd toekeek. Toen de brief in zijn enveloppe zat en ik die wilde adresseren, kon ik het adres niet vinden. Maar plotseling schoot me de agenda uit te binnen die ik altijd bewaard heb, en daar stond het, in mijn jongenshandschrift, Hortensiastraat De Leidsestraat was vroeger een sjieke winkelstraat met deftige herenmodezaken, boekenwinkels, theesalons, een tapijtenhandel, een platenzaak waar je op maandagmorgen moeders in de rij kon zien staan om voor hun zonen een kaartje te kopen voor het nachtconcert van Gerry Mulligan, juweliers, diverse schoenenwinkels, restaurant Bali en twee delicatessenwinkels.

Als ik op zaterdagmiddag door de Leidsestraat liep, dacht ik altijd dat er van alles ging gebeuren, maar er gebeurde nooit niks. Bij de sigarenwinkel vlak voorbij het KLM gebouw kocht ik een pakje sigaretten. Als je ja zei, sneed hij met een pennenmesje het pakje open en tikte ­tegen de onderkant tot de sigaret naar buiten kwam, die ik tussen mijn lippen nam om me vervolgens voorover te buigen naar het gasvlammetje dat brandde op de toonbank.

Als ik met de tram door de Leidsestraat rijd, kijk ik naar het verleden, maar ik zie het niet, behalve het korte ogenblik dat ik in de etalage van Eichholtz het Drostemannetje zie staan. Toen mijn moeder haar blikjes Delmonte nog bij Eichholtz kocht, reden we een keer over een bergpas in Zwitserland, de Gotthard of de Brenner of zoiets. Ik lachte en ze lachten terug, ik zwaaide en zij zwaaiden terug.

Toen ik door de draaideur naar binnenging, bedacht ik dat ik het pasje dat toegang geeft tot de studieruimte vergeten was. Ik meldde me dus bij de balie. Alles was spannend dat jaar en alles mocht, samen met een vriendje schrift na schrift vol tekenen met eitjes die uit een paaseierenfabriek kwamen bijvoorbeeld, of een boek van huis meebrengen en daar tijdens de leesles in lezen.

Wat niet mocht, was opscheppen. Ik had een vriendje waar ze thuis een poes hadden die op de wc ging. Dat vertelde hij een keer, maar mevrouw Besier was het daar niet mee eens, dat vond ze een vorm van opschepperij. Ik denk daar nog vaak aan. Ze was al dik in de tachtig toen ik haar een keer aan de telefoon kreeg.

Ik weet wat ze ervan had gevonden, dat ik dit nu opgeschreven heb. Zoals ik af en toe doe, zat ik De reis om de wereld in 80 dagen te lezen. Zoals altijd ging Phileas Fogg zijn beroemde weddenschap aan, waarna hij zich ­samen met zijn kersverse bediende Passepartout naar Charing-Cross Station spoedt. Zoals altijd geeft Fogg de twintig guineas die hij zojuist aan de whisttafel heeft gewonnen aan een behoeftige waarop hij samen met Passepartout naar de wachtkamer gaat. En daar lezen we: Ik voel wel eens heimwee naar het gasvlammetje op de toonbank van de sigarenwinkel of naar het geluid van een tennisbal geslagen door een houten racket, maar bovenal heb ik heimwee naar de steile wand, naar het geluid van de motoren die je op de kermis al van verre hoorde, naar de mannen op de motoren die eerst een voorzichtig rondje reden en dan, als ze iets harder gingen, hun motor tegen de steile wand op stuurden, steeds sneller en steeds hoger, tot ze vlak onder de rand ­reden en je ze zo zou kunnen aanraken.

Met losse handen reden ze hun rondjes, achterstevoren op hun motoren gezeten, met gevaar voor eigen leven, onverzekerd bovendien. Want dat werd er aan het slot van de voorstelling altijd bij ­gezegd, waarna het muntjes ­regende in de piste. Op ons viermaandelijkse kopje thee, in Wildschut deze keer, dronken we koffie verkeerd en cappuccino, een en ander ­gebracht door een vermakelijk meisje dat ons toen we heel erg te lachen zaten, kwam vertellen dat ze iets in onze thee had gedaan.

Mijn vriend is van mijn leeftijd, maar dan iets ouder en ons theedrinken eindigt altijd met de ­mededeling dat hij het qua fietsen nu echt iets rustiger aan gaat doen. Aan het begin van het gesprek heeft hij dan verteld dat hij tijdens een tocht om het IJsselmeer ter hoogte van Stavoren met een snelheid van 70 in het uur een stevige smak heeft gemaakt.

Stavoren lag deze keer in Amsterdam-Noord, in een bos bij het Noordhollands kanaal. Mijn vriend is blij dat hij nog dingen doet waardoor je in het ziekenhuis kan belanden, dus eigenlijk was dat ribbetje een tegenvaller. We kregen het over straatnamen. Was ik al eens in de Internetstraat geweest, of op de Disketteweg?

Kende ik het Orgeldraaierspad, en hoe was ik met de Snelfietsweg? Maar soms was ze zo ongeduldig dat ze tot toverspreuken overging om het huis een handje te helpen. Ze heeft het me nooit verteld, maar ik geloof dat ze erin geloofde. Ik zou het ook graag doen, maar ik heb zoveel spullen om me heen verzameld, dat zelfs Sint Antonius er geen wijs uit weet.

Maar wat het huis verliest, brengt het huis terug, soms zelfs dingen waarvan je niet wist dat je ze had. Gisteren was het een boekje van Siegfried van Praag met de titel De Eeuwige Plantage, zijn in geschreven herinneringen aan de Plantage waar hij zijn jeugd doorbracht.

Hij vertelt daarin, nooit geweten, dat de Plantage aan het einde van de negentiende eeuw een buurt was van kroegen en bordelen. In de tijd dat we in de Bosboom Toussaintstraat woonden, ging ik op werkdagen om kwart voor negen de deur uit om naar mijn werk te gaan. Nadat ik de eindeloze trap was afgedaald, liep ik de straat in, waarna ik de Alberdingk Thijmstraat kon nemen om dan de Van Lennepkade af te lopen. Ik kon ook de De Genestetstraat ­nemen om vervolgens dezelfde kade af te lopen.

De derde mogelijkheid was helemaal doorlopen naar het einde van de straat en dan meteen de Nassaukade op. Onderweg groette ik kapper Cor, die al vrolijk te knippen stond, zwaaide ik naar de bereden polities die mij koutend tegemoet kwamen en maakte ik vaak een praatje met Martin Bril, die er altijd vroeg bij was.

Het was een plezierig wandelingetje naar bus Op een gegeven ogenblik begon het me op te vallen dat ik vaak een zwangere vrouw zag, dat ik steeds vaker een zwangere vrouw zag en dat het verdomme wel leek of alle vrouwen zwanger waren. Bleek dat er in de De Genestetstraat een geboortecentrum was neergestreken.

Wanneer ik mijn huidige behuizing verlaat, zie ik mensen met wandelstokken en mensen op krukken, achter rollators en in rolstoelen. Het zal, denk ik, iets te maken hebben met Medisch Centrum Roelof Hart dat, een paar jaar geleden alweer, het postkantoor heeft overgenomen.

Mij hebben ze niet meer. Zie ik overal trambestuurders met hun conducteurs, dan veronderstel ik een remise, zie ik allemaal koksmutsen een koksschool, maar wat te denken van allemaal aluminium kokertjes als patronen op de stoep en in de goot? Op het kleine stukje Olympiaplein achter het Van Heutszmonument telde ik er maar liefst dertien.

Inmiddels ben ik er achter. Middelbare school in de buurt. Op weg naar zomaar een wandelingetje hield ik even halt voor café De Zeepost op de hoek Prins Hendrikkade-Oudezijds Kolk en bekeek de schitterende krulletters op de ruit. Dat weet u zo niet, maar de broer van mijn grootvaders zuster was de eerste krulletterschilder van Amsterdam en deze letters zijn nog van zijn hand. Uit meen ik. Het al even fraaie zeilbootje in de vensterbank is gemaakt door zijn tante die bekend stond als Schele Greet.

Bij de Oude Kerk liep ik de steeg met de kinderhoofdjes in die Oudekerksplein heet en waar lang geleden een kolenwinkel zat die in zijn etalage een enorm brok steenkool ­exposeerde. Even later stond ik voor de Dolle Begijnensteeg. Volgens de overlevering was het in deze steeg dat wij, een stel kinderen uit de zesde klas van Erasmusschool onder wie Joke Vlietman en Hans van Bronkhorst, een emmer water over ons heen kregen toen we door de kier in het gordijn van een peeskamertje naar binnen stonden te loeren.

Eerder die middag waren we op het Rembrandtplein naar het Waterorgel geweest, een nu vergeten attractie, waarbij een orgel als het bespeeld werd in zijn pijpen gekleurd water omhoog stuwde, een symfonie van kleur en muziek zal ik maar zeggen. En daarna dus hup naar de dolle begijnen. Met Marcel van antiquariaat Feniks had ik het over de raadselachtige prijzen die je tegenwoordig betaalt voor de boeken van Hanny Michaelis.

Haar dichtbundels die allemaal van voor zijn, kan je overal kopen, en voor een symbolisch bedrag. Maar Verst verleden waarin ze over haar jeugd verhaalt, is vrijwel onvindbaar en als je het vindt onverwacht duur. De vrouw ­begon te lachen en ging er meteen weer vandoor. Als je met haar in de auto zit en je zegt dat we rechts af moeten, gaat ze ongezien naar links, en omgekeerd. Maar het gekke is dat je de boel niet recht kunt trekken door alles om te draaien.

Om de een of andere reden gaat ze dan wel rechtsaf. Marcel dacht een tijdje na en zei toen dat hij het gevoel had in een sketch van Walden en Muyselaar te zijn beland. Na een lange wandeling door de stad waren we hier toen neergestreken om op een belangrijk telefoontje te wachten aangaande dochter en klein grut, dat zich tijdens onze wandeling leek aan te kondigen in de vorm van een veelkleurige bal, gevonden in de Reestraat.

Als het goed is, is de bal nog ergens. Als we zitten en een andere besteld hebben, wijst mijn geliefde me op de telefoon aan de muur achter ons.

Het is een ouderwetse cafételefoon. Je kon er mee bellen, maar niet gebeld worden. Zou hij het nog doen? Toen onze kleindochter een jaar of drie was, waren er nog telefooncellen in de stad. Als ze op de Elandsgracht de cel tegenover het hoofdbureau van politie in de ­gaten kreeg, moest ze altijd nodig met oma in Parijs bellen. Wat na het inwerpen van de denkbeeldige muntjes altijd prima lukte.

Na haar gesprek liepen we de Oude Kinkerbrug over de Singelgracht op waar we inmiddels verzamelde takken in het water gooiden om te kijken of ze aan de andere kant van de brug weer tevoorschijn kwamen. Tien jaar geleden ­alweer? Toen onze portie calamares zich bij het bier en de wijn had ­gevoegd, kwam er een zwarte poes op de bar zitten die de pose aannam van de zwarte poes op het beroemde affiche van cabaret Le Chat Noir.

Op het Leidseplein reed de 5 net voor onze neus weg. Een goede reden, leek ons, om een kijkje te nemen bij het opgefriste Américain. We gingen de heerlijke draaideur door, stapten het café binnen en werden prompt tot staan gebracht door een vrouw die er geen misverstand over liet bestaan dat we in het gedeelte waar je iets kon drinken, niets te drinken zouden krijgen.

Dat de bar open was, hebben we voor kennisgeving aan genomen. Weer thuis zette ik de televisie aan, en meteen weer uit, want daar had je hem weer, De Stem, de geheimzinnige stem die in televisieland de boel aan het overnemen is. Wij kijken altijd naar Het Journaal, maar dat is verleden tijd, want enkele weken geleden was daar plotseling De Stem.

De Stem komt erin als iemand iets zegt in een andere taal dan het Nederlands. Eerst was de stem er alleen in Het Journaal, maar inmiddels doet hij ook series. Helemaal in zijn eentje leest hij alle stemmen voor. Als je bij het Centraal Station uit de 24 stapt, of uit de 4 of de 26, maakt niet uit, en je loopt in de richting van de hoofdingang dan zie je in de uitbouw van de eerste toren een deur zo groot als een staldeur.

Tot voor kort kon je hier vaak een groep Oost-Europese straatmuzikanten treffen die hem vooral op de klarinet stevig wisten te raken. De mannen op de brug over de Zwanenburgwal naar het Waterlooplein speelden misschien beter, maar het Centraal Station Ensemble had meer pit. Beide groepen zijn verdwenen, de Peruviaanse panfluiters achterna, denk ik. Ik dacht meteen aan kroketten, maar toen ik dichterbij kwam, bleek het om een restauratiebedrijf te gaan.

Er werd weer eens wat hersteld aan het station, een mens kijkt er van op. Maar toen we de hoek om ­waren en door de enorme ruit die achter de staldeuren blijkt schuil te gaan naar binnen keken, bleef ik in stille verbazing staan. Wat ik zag was een prachtig houten plafond, dat was afgezet met vrolijke schilderijen van engeltjes of cherubijnen, het verschil is me nooit helemaal duidelijk geworden. Iets wat ik graag eens zien zou willen. Bij banketbakker Arnold Cornelis in de Van Baerlestraat stond om te proeven een lekkernij op de toonbank waarvan ik me de naam niet herinnerde, maar die ik herkende en waarvan ik me de smaak meende te herinneren.

Toen ik een hapje had genomen, wist ik dat ik me niet vergistte. Waar mijn moeder kaasvlinders kocht, weet ik niet meer, maar ze kocht ze op de zaterdagse expeditie die begon bij het Hammenhuis in de Sint ­Luciensteeg en die mijn vader en haar vervolgens naar een slager in de Jordaan voerde voor leverworst, naar een taartjeswinkel in de Maasstraat voor een bepaald soort droge gebakjes en dan nog ergens heen voor rauwe Gelderse.

De gedachte dat je bij een winkel meer dan een lekkernij zou kunnen kopen, hield mijn moeder voor ketterij. Die moesten door de velg gestoken worden en vastgeschroefd. De schemering is nog niet begonnen, maar er hangt een haast ­onzichtbare nevel ­boven de Zoutkeetsgracht die de schemering lijkt aan te kondigen.

De gracht ligt er prachtig bij, stil en onaangedaan, het IJ nabij maar veraf tegelijk. Achter een groot raam staat een vrouw iets aan de lade uit een ladenkast te poetsen.

Haar werkplaats is in­gericht als een timmerbedrijf, maar ik denk dat ze zich meer met restauratie bezighoudt dan met timmeren. In haar vensterbank staat een houten vrachtwagentje, zo hartverscheurend mooi dat ik mijn neus tegen het venster druk als was ik Kruimeltje voor de etalage van de banketbakker.

Als de timmervrouw opkijkt, zwaai ik naar haar, waarop ze ­terugzwaait, mensen die ge-zwaaid worden, zwaaien altijd ­terug. Maar nee, dat weet ik niet. Aan de overkant van het water ligt een zeilschip, waarvan mast en fokkenstag met lichtjes zijn versierd. In de huizen branden kaarsendakjes en kerstbomen, in het donker is overal licht.

We gaan ­onder het spoor door, steken de Haarlemmerstraat over en lopen richting Noordermarkt als we bij café Papeneiland langs een grote kerststal komen. Jezus en Maria, os en ezel, de Wijzen uit het Oosten, het hele spul, achter glas, aan de Prinsengracht, met de Westertoren in de verte.

Hoewel het dooide, was het spiegelglad op straat. Je kon het zien, want niemand liep ­gewoon door de bagger die even eerder nog sneeuw was geweest, iedereen tilde zijn voeten op. Ondanks de dooi was het koud. Niet zo koud dat de stratenmakers hun werk mee naar huis namen, maar de verhuizer die op het ­Museumplein in zijn verhuis­wagen tussen de meubelen stond, liet weten dat hij met dit weer toch liever op het strand zat.

Het Passage Kwartet in de passage onder het Rijks speelde, zoals gewoonlijk, de Lente van Vivaldi en behalve een accordeon klonk nu ook de schuiftrompet. In het Concertgebouw zouden ze deze bezetting ook eens moeten proberen. Achter de ruit die de hal van het museum toont, stonden vijftien kinderen met kwasten gewapend achter een schildersezel in een halve cirkel om een model heen, dat op een stoel op een ­verhoginkje zat. Ze zag er uit als Jacoba van Beieren lustte geen ­eieren.

Tussen de andere toeschouwers ontwaarde ik de man die zich indertijd bezig hield met het bestuderen van het bazenprobleem. Wat wilde zeggen, dat hij in ieder café vroeg wie hier de baas was, waarna er in vele gevallen verschrikkelijke vechtpartijen losbarstten met vliegende barkrukken en veel brekend glaswerk.

Een en ander uiteraard tot grote vreugde van de aanwezigen. Nadat ik hem in café de Ster had voorgesteld aan Karel van het Reve, vroeg Karel mij wat hij deed. Waarop ik zei dat hij het bazen­probleem bestudeerde. Alies uit Roelofsarendsveen die het onder het knippen vaak zo gezellig met mij praat, blijkt ­helemaal niet uit Roelofsarendveen te komen, maar uit Boekelo. Of was het Dwingeloo, daar wil ik van af wezen, maar in ieder geval vertelde ze mij hoe een week eerder een bejaard echtpaar zomaar twee fietsen die voor de winkelruit stonden omver had gelopen.

Ze stonden ernaar te kijken alsof ze bij Madame Tussauds stonden, echt van die museumpoetsers. Mooi woord hè, het schoot er zo maar uit. Dat heb ik wel vaker, dat ik ineens een nieuw woord verzin.

En dat woord blijf ik dan gebruiken, want ik wil in de Dikke Van Dale. Dat is het enige wat ik op mijn bucketlist heb staan. Hij deed iedere dag een bladzij. Bucketlijsten bestonden toen nog niet, maar de postbode wilde in Tel uit je winst van Theo Eerdmans, een quiz waar je duizend gulden winnen kon.

Om de zaak te vergemakkelijken had hij de vragen die hem gesteld moesten worden, alsmede de antwoorden, alvast aan Eerdmans opgestuurd.

De postbode kwam vaak op kicksen naar de kroeg, want dat was zijn tweede grote ambitie, profvoetballer worden bij Santos. Maar dan moest hij wel trainen, vond Marie die hem daarom regelmatig veertig rondjes om het biljart liet rennen. Als ik mijn ogen sluit, hoor ik nog het geluid van zijn noppen op de granieten vloer. Tien dagen voor kerstmis kocht mijn moeder op de Bos en Lommer een piepklein kerstboompje dat ze thuis optuigde met echte kaarsje die iedere avond even branden mochten.

Echte kaarsjes was veel mooier, maar toch ging ik altijd naar de kerstboom van tante Corrie kijken met zijn gekleurde lichtjes, zijn engelenhaar en zijn kerstballen in alle kleuren. Bovendien brandde bij tante Corrie de kachel.

Als ons boompje stond, gingen we naar de bloemenmarkt op het Singel voor de jaarlijkse kerstbomenmarkt. Mijn ouders waren unaniem van mening dat de ­bomen daar veel te groot waren, maar dat ze mooi waren en heerlijk roken, daarover waren we het eens. Het ritueel duurde totdat ik ik liever de kerstbomenversiering in het café ging inspecteren, waarbij de versiering bij Emmelot op de hoek van Lange Niezel en Oudezijds Voor altijd als winnaar uit de bus kwam.

Piet had twee hele dagen nodig om de takken op te hangen, en weghalen was zoveel werk dat het vaak tot Pasen duurde. Op de bloemenmarkt verkopen ze houten tulpen en in cafés kom ik niet meer, om deze tijd van het jaar ga ik naar de binnentuin tussen de Roelof Hart en Gerard Terborgh.

De helleborus staat in bloei, maar ik kom voor de grote magnolia en zijn knoppen die opzwellen aan de kale takken. Terug op straat, zo ter hoogte van de kerstbomenverkoper op het plein, kwam me een vrouw tegemoet die een grote tak magnolia bij zich had en zo voorjaar en toekomst met zich mee voerde. Ik was het café al voorbij toen ik zachtjes neuriënd op mijn schreden terugkeerde en alsnog naar binnen ging. De jongeman en de jonge vrouw die achter de tap stonden, droegen ­allebei een hagelwit overhemd en aan de bar zat een piepklein meisje voorover op haar ellenbogen ­geleund.

Nadat ik een kruk had bezet, keek ik nog eens goed, maar het was inderdaad een meisje. Een jaar of 5 zo te zien. Ze had een tekenschrift binnen handbereik en naast haar stond een van roze ballonnen gevouwen hondje. Ik bestelde een jonkie, waarna de jongeman in het witte overhemd een kelkje voor me neerzette en dat vol schonk, maar zonder kop erop, zoals ik merkte toen ik me voorover boog om het de Roomse borrel behandeling te geven.

Zijn collega was inmiddels aan de bar gaan zitten met een kom erwtensoep die begeleid werd door twee plakken roggebrood met spek. Aardappelen lust ze niet, maar ze is gek op broccoli, bloemkool, boerenkool, dat soort dingen.

Jij bent er wel vaker geweest, maar zij niet. Mooie winkels verdwijnen sneller dan de koeien kalveren. Maar Vlieger zit er nog. Ik word duizelig van geluk als ik binnenkom. Al die laadjes met al dat ­papier met al die namen, awagami ogura, byakka kinsunago, grafica 2,95, ingres 1.

En die heerlijke enveloppen in alle kleuren. Bij het trappetje naar de bovenverdieping waar ze in verf doen, bekijk ik de vitrine met lang geleden door Vlieger uitgegeven boeken en prenten, A is een aapje, De kleine wees, Het kat en muisspel, maar dan moet ik er vandoor. Geen groter genoegen dan op de smalle stoep te staan terwijl de tram door de straat reed. In de tram was het ritje door de Bakkerstraat al even spectaculair, vooral als het ­moment kwam dat je bocht om ging, want dat kon eigenlijk niet, zodat het ­altijd leek of je zo de Amstel in zou duiken.

Uit een koffer verkocht hij kostuums aan boeren en buitenlui en daarbij deed hij het voorkomen dat er een pak bij was, dat hij eigenlijk niet verkopen wilde. Omdat het anders en beter was dan de andere pakken die hij in zijn koffer had, terwijl ze alle vier precies hetzelfde waren. In de oorlog waren zijn ouders ondergedoken, in Driebergen.

Ze werden verraden, maar ontsnapten uit het politiebureau. De rest van de oorlog zaten ze in een gat in de grond in een bos in de omgeving. Ik vraag me vaak af wie die verraders waren. Die hadden het, zoals we in de boeken van hun kinderen kunnen lezen, juist druk met het redden van ­Joden.

Maar wie dan wel? Ik geloof niet dat ik ooit een interview heb gelezen met iemand die vertelt hoe in de oorlog bij de ­buren ondergedoken Joden heeft aangegeven.

Daarom hadden ze een primus, koffie en een doos suikerklontjes bij zich. Dat waren dan de suikerklontjes. Daar stonden drie biljarts. Ik biljartte met een kinderkeu. Meneer de Laat gaf me een Heineken kistje. Anders kon ik er niet bij. Als Ajax verloor, werd het Hotel de Houten Lepel.

Op het strand van Tel Aviv staan vier groen geverfde houten fietsen in vier maten. Het zijn geen echte fietsen, maar je kan er wel op fietsen. Een eindje verderop stond een meisje met haar rug naar de hoge zee een selfie te maken. De golf die haar schoenen zouden overstromen, zag ze daarom niet aankomen. Ze schrok, maar ze moest ook lachen. Sommige dingen zijn overal en altijd gelijk. Gisteren gingen we met de trein van Tel Aviv naar Akko. Zee en strand reisden mee.

Geen mens te zien en af en toe wolken bougainville in vele kleuren. Ze waren geen dag ouder geworden. Tijdens de officiële opening lazerde de directrice van het ­museum van een trapje, sprak Freddy Hollander die alles geregeld had mooie woorden en keek Eberhard van der Laan vanaf een foto toe.

In mijn eigen toespraakje bleek ik zonder dat ik het in de gaten had van het Engels in het ­Nederlands te zijn verdwaald, maar de zaal leek dat niet te deren. Terug in Tel Aviv reden we naar de markthal aan de haven waar we ons in het restaurant boven de kramen met aardappelen en uien aan lekker eten wijdden. Omdat ik op sjiek moest, moest ik naar Warenhuis het Wespennest voor een paar schoenen, een broek en een overhemd. Een jasje bleek ik gelukkig nog te hebben. Toen we de ingang in het oog kregen met daarachter de kramen met glitterende vrouwen die in geuren doen, wilde ik ervantussen.

Maar ik vermande me, drukte de holte van mijn hand als een kapje over neus en mond en haastte mij richting roltrap. De arm van de cosmetica reikt ver, maar de eerste verdieping hebben ze nog niet overgenomen dus daar kon ik weer ademhalen. Een broek is meestal veel gedoe, maar de tweede broek was raak deze keer.

Schoenen hadden ze niet in mijn maat, maar het overhemd was perfect. De verkoopster dropte ons bij de kassa, waar we onder helse muziek aansloten bij een rijtje. Mijn geliefde was aan het afrekenen toen de caissière me vroeg of ze me ergens mee kon helpen. Ik zei dat ik al geholpen werd. U keek zo kwaad naar ­elkaar. De baleinen uit mijn vaders overhemden waren altijd kwijt, herinnerde ik me. Waar ik ook ben in de stad, altijd vraag ik me af of ik hier wel eens bij iemand in huis ben geweest.

Opmerkelijk vaak is dat niet het geval. In Zuid zijn hele buurten waar ik straat voor straat binnen ben geweest, bij vrienden, vriendinnen, of op feestjes. Zoveel huizen als ik ken in Zuid, zo weinig ken ik er in Oost en ook in het Centrum heb ik niet veel van binnen gezien. Ik overdacht een en ander toen ik op weg was naar een teruggevonden vriend die in de Gasthuismolensteeg bleek te wonen.

Het verlengde van de steeg, de Hartenstraat, had me wel eens ontvangen. Voor enkele opmerkelijke dagen en nachten op een kamer boven een snackbar en met uitzicht op een restaurant, waar ik jaren later eens een tongetje ging eten met Jan Cremer. Toen ik mijn mes in de tong zette, bleek hij niet geheel ontdooid. Een kwartier later werd een nieuwe tong gebracht die toen ik aan zijn achterkant begon al eerder aangesneden bleek. Misschien niet mijn slechtste horecaervaring, maar het komt in de buurt.

Mijn teruggevonden vriend was in de tussentijd gedichten gaan schrijven, zevenregelige verzen, waarin hij de zee zichtbaar maakt. Inmiddels waren het er meer dan duizend. Ik kwam ogen en oren ­tekort en kon ze nauwelijks geloven.

Van deze grenzen was de ­Admiraal de Ruijterweg de ­belangrijkste. Want de Admiraal de Ruijterweg was levensgevaarlijk, zoals mijn moeder nooit ­naliet te benadrukken. Als je die overstak, was je eigenlijk al dood. Dat kwam door de trams die er reden, de Kikker en de Blauwe Tram naar Zandvoort. De Kikker was gevaarlijk, maar een tram. De Blauwe Tram was een trein en dus nog veel gevaarlijker. We mochten de Admiraal de Ruijterweg niet oversteken, maar nergens stond geschreven dat je er niet naar kijken mocht, en dat ­deden we dus.

Vanaf onze kant ­keken we naar de verboden overkant, waar niets te zien was, maar die ons toch trok, omdat hij verboden was. Met enige regelmaat denderde de Blauwe Tram voorbij. Daas van opwinding legden we een cent op de rails en wachtten af, in een portiek, want als de tram ontspoorde kon je maar ­beter niet te dicht in de buurt zijn.

De Blauwe Tram reed over onze centen heen alsof ze er niet waren. De week daarop probeerden we het met stuivers, maar ook een stuiver was niet genoeg voor een ontsporing, zodat we uitweken naar de bouwterreinen achter de Hoofdweg.

Gewapend met twee planken staken we het eindeloze drijfzand over. We renden over de steigers van de nieuwbouw en aan het einde van de middag reden we met het lorrietreintje terug naar het Bos en Lommerplein. Vlaams Friteshuis Vleminckx op de hoek van de Voetboogsteeg en de Heiligeweg maakt volgens velen de lekkerste patat van de stad.

In die mening kan ik me vinden en vandaar dat ik als ik trek heb in een patatje vaak aansluit bij de rij die vrijwel zo permanent is als die bij het Anne Frank huis. Een niet gering pluspunt van Vleminckx is café Havelaar aan de overkant, waar je je patatje mag opeten met een biertje erbij. In het café stond de barkeeper glazen te spoelen. Terwijl hij mijn biertje tapte, zei hij dat ik hem bekend voorkwam. Waarop ik hem vertelde over een kennis in de kaasbusiness en met verstand van wegen die op de markt een ons paté wilde kopen.

Het stuk dat de koopman vervolgens met zijn mes aanwees, was volgens mijn kaaskennis ruim twee ons, en dat zei hij ook. En dan vooral het gedeelte waarin meester Pennewip de versjes van zijn hoogbegaafde leerlingen ­nakijkt en zelfs corrigeert.

Ook het vers van Slachterskeesje raakt me, hoe vaak ik het ook lees, altijd diep in de ziel: Het meisje, ik denk dat ze een jaar of zeven was, droeg een blauwe jurk met sterretjes en had een bosje houten tulpjes bij zich, heel feestelijk. Ik zei dat ik haar zou waarschuwen en vroeg of ze naar een promotie ging. Maar nee, ze ging naar haar zuster. Dat vond ze niet erg, want dat was ze zelf ook zei ze, hoewel ze niet vroeg waar ik heen ging.

Op de hoek van de Pieter van der Does en de Admiralengracht, waar vroeger het zwembad was en nu een moskee is, kwam een groep meisjes aanlopen. De meisjes waren een jaar of tien en op het oorlogspad. De leider keek de gracht af en nadat ze had vastgesteld dat alles veilig was, geen vijand te zien, gaf ze het sein dat het groepje de Pieter van der Does kon verlaten en langs de gracht zijn weg kon vervolgen richting Erasmuspark, waar ongetwijfeld nieuwe avonturen wachtten.

Het is zestig jaar geleden dat wij jongens hier op oorlogspad waren. Er is veel veranderd in de buurt, de gracht is rechtgetrokken, het park is van een wildernis in een park veranderd, de landjes zijn gefatsoeneerd, maar je kan nog steeds zien dat dit een fijne buurt was om op te groeien en dat het dat waarschijnlijk nog steeds is.

Tussen het park en de sportvelden aan de Joos Banckersweg werd op een dag het rietland opgespoten. Niet veel later ontdekte Hans van Bronkhorst dat er kogels, echte kogels, in het zand te vinden waren. Wij jongens vonden dat behoorlijk eng, maar Hans van Bronkhorst niet. Mijn oom Piet had geen auto en daarom gingen tante Gré en hij op zondag wel eens met ons mee voor een gezellig ritje over de oude Utrechtse weg of de nieuwe weg naar Den Haag.

Lekke band, radiator droog gekookt, benzine op, maar als we Amsterdam weer in zicht kregen, zei oom Piet: Want ik wist wat er komen ging. Mijn oom Piet zou zich tot de ­Chinees richten die ons naar een ­tafeltje bracht en iets zeggen als: Wij lekker eten op, ja?!

Het gekke was, dat de Chinees het heel gewoon leek te vinden. Vijf en zestig jaar later kan ik mijn schaamte nog navoelen. In dit boek zeggen de Engelsen en Chinezen dingen tegen elkaar als: Why for you say no can. Om met elkaar te kunnen praten, spraken ze Pidgin. Mijn oom Piet was er niet op uit de Chinees te kleineren.

Hij sprak een taal. Als ik wil betalen, moet ik mijn vijf euro biljet in een gleuf steken, waarna het wisselgeld rinkelend in een bakje valt. Dat is ook al net Parijs, waar je op deze manier je metrokaartjes koopt. Als ik met mijn stokbrood buiten sta, denk ik aan Lonneke, die hier op zaterdagmiddagen van lang ­geleden in een bloemenwinkel werkte.

Lonneke woonde aan de andere kant van de Bos en Lommer, in het buurtje rond de Wiltzanghlaan, waar de avontuurlijker leeftijdgenoten woonden. Aan ­onze kant van de Bos en Lommer waren we allemaal keurig en ­deden we alles zoals het hoort.

We gingen naar de middelbare school en naar de kapper en droegen trouw de kleren die onze moeders voor ons klaarlegden. Maar Lonneke en Ietske en Ria, die aan de andere kant woonden, hadden daar maling aan. Die gingen naar de mulo of de huishoudschool en lieten hun haar millimeteren of verfden het rood.

Aan sport hadden ze een broertje dood en ze lazen geen boeken, maar schilderden hun ogen op en maakten schilderijen. Lonneke drukte regelmatig bij ons op de bel en als ik dan naar beneden was gekomen, bleef ze voor de deur rustig een uurtje met me staan kletsen.

Toen ze bij de bloemenwinkel weg was, ging Lonneke trouwen en in Osdorp wonen. De laatste keer dat ik er was, was het er nog niet. Vrijwel ieder jaar fiets of wandel ik wel een keer naar het huis en denk dan aan de jonge Gerard Kornelis van het Reve die op zijn kamertje De Avonden zit te schrijven.

Tijd om weer een keer op bedevaart te gaan, maar eerst langs de Gerard Revebrug om te kijken of ie nu Gerard Revebrug heet. Het moest weer eens op een koopje, net als met de loopplank in Nieuw-West die ze naar Karel van het Reve hebben vernoemd. Bij Schilderskade 66, dat zich ­zoals iedereen weet op de hoek met Saffierstraat bevindt, stapte ik af en ging op zoek naar het ­gedenkteken.

Ik keek omhoog, ik keek omlaag, ik ging de hoek om, de Saffierstraat in, maar nul komma niets, geen gedenkteken te bekennen. En plotseling was daar de twijfel. Was het mogelijk, zou het kunnen, had ik al die jaren een bedevaart naar het verkeerde huis gemaakt?

Dat gedenkteken, dat blijkt er ook al veertien jaar te zitten. We zouden naar de film, maar nadat mijn geliefde de ­deprimerende samenvattingen had voorgelezen, besloten we lijn 1 te nemen. In de 1 wordt de stad steeds groter. Bij de halte Johan Huizingalaan al kon ik er niet over uit dat ik hier helemaal gewoond had.

Wat een ongehoord eind fietsen moet dat zijn geweest, en bij deze halte ben je nog niet eens halverwege geloof ik. We wilden naar het eindpunt, dat zich naar mijn beste weten aan de Sloterplas bevond, maar zich uiteindelijk op Matterhorn bleek te bevinden, bij de Alpen. Toen we uitgestapt waren, was er ter plekke helemaal niets, zodat we de eerste 1 terugnamen, om nu uit te stappen bij Meer en Vaart.

De Sloterplas lag er prachtig bij. De fontein spoot zijn waterstraal zo hoog als ie kon en de plas was als een donkere spiegel. We staken over en liepen het winkelcentrum binnen. Prima winkelcentrum, ­alles bij de hand, van Etos tot Hema en fijn veel opticiens, precies zoals het hoort. Maar bij het Osdorperplein raakte de fut eruit.

Mijn aandacht werd getrokken door een snoepjesboeket. Prachtig, maar hoe heetten die snoepjes ook alweer? Nadat ik mijn vraag gesteld had, opende de vriendelijke verkoopster haar mond, maar geluid kwam er niet uit. Ze was haar stem kwijt, Daar stonden we dan, in Osdorp, bij Stam, en bijna Sinterklaas. Het schemert in de Spiegelstraat. Het blauwe uur is net begonnen en de achterlichtjes van de fietsen vlammen in het halfduister.

Bij iedere brug kijk ik de gracht af, over het rimpelende water, langs de bomen en de gevels. Mooie schemering, fijne stad. Ter hoogte van Heuvel besluit ik er een te nemen. Lang geleden dat ik hier voor het laatst was. Peter Vos leefde nog, want met hem heb ik toen zitten praten. De jeugdige kastelein schenkt een borrel in. De andere klanten zitten aan het bier. Vanaf mijn barkruk zie ik aan de ene kant de feestverlichting in de Spiegelstraat en aan de andere de lichtjes in de bomen langs de Spiegelgracht.

Alle Amerikanen die hier zitten, gaan vergezeld van een Aziatische vriendin, Thais, Philippijns, Indonesisch. Wonderlijk, denk ik, maar zin me er verder in te verdiepen, heb ik niet. Het jonkie smaakt weer goed vandaag, zo goed zelfs dat ik overweeg een opvolgertje te nemen.

Gelukkig heb ik al betaald, dit om opstappen gemakkelijker te ­maken. De vier muzikanten zitten in de passage onder het Rijks, en het aardige is dat er een accordeon bij is. Het licht in de passage komt van de flitsende mobieltjes. Weer buiten kijk ik over de vlakte van het Museumplein, waar ze ­alweer druk bezig zijn het nep-­ophaalbruggetje over de ijsbaan op te bouwen. Het is doodstil en door de stilte loop ik langs een kaarsrechte streep van witte tegels over het kaarsrechte pad dat het plein in tweeën deelt.

Dat er op zaterdag niet warm gegeten werd, maar brood, een ­Amsterdamse gewoonte waarvan ik niet weet of die nog bestaat, was een van de dingen die de zaterdag tot de mooiste dag van de week maakte. Op zaterdag ging de school om twaalf uur uit en het laatste uur werd er niet gewerkt, maar was er een wedstrijd hoofdrekenen of werd ons voorgelezen.

Een saai verhaal vaak, maar dat maakte niet uit, want bij saaie verhalen kon je heerlijk wegdromen, wat bij een spannend verhaal een stuk moeilijker is. Dan kwam het heerlijke ogenblik van de bel. Twaalf uur en vrij, de hele dag nog voor je. Als mijn ­vader uit zijn werk kwam, stond mijn moeder hem voor de deur op te wachten en terwijl hij de laatste trap beklom, zei ze: Om een uur kwam de leesmap.

Heerlijk ogenblik dat je languit op je buik gelegen de nieuwe Robbedoes opensloeg om te kijken hoe het verder ging met Lucky Luke, de Baard en de Kale, Buck Danny en de cowboy van wie ik de naam vergeten ben. Soms bakte mijn moeder zelfgemaakte kroketten die een heerlijke geur verspreidden in huis. En om acht uur hoefde ik niet naar bed, maar mocht ik ­samen met mijn vader en moeder naar de radio luisteren, naar De Veilingmeester en Cees de Lange met zijn koe en alles wat daarna kwam. Omdat we iets te vieren hadden, zaten we in restaurant Amsterdam aan de haring, de oesters, de kroketjes, de krab en de kreeft en de Bourgueil.

De drukte was als vanouds en de verhalen aan tafel mochten er zijn, zo zeer hadden we het naar onze zin dat we vast voor Kerstmis reserveerden. Dat niet, zei de vriendelijke serveerster, alles was eigenlijk hetzelfde, alleen veel drukker en met een heel grote kerstboom. Neuriënd vertrok ik voor een plasje, waarvan ik zingend terugkeerde. Ik zong Marina, zoals Rocco Granata het zingt als hij het samen met Arno zingt, tenminste dat verbeeldde ik me.

Zij zong Favourite Things, dat zong ze vaak, ook op straat, met als gevolg dat mensen haar vaak voor gek versleten. Waarin ik wel iets herkende. Eenmaal voorbij de tochtdeuren keerden we terug naar onze tafeltjes. Maar toen zij vertrok kwam ze nog even buurten. Toen Fräulein Maria terugkwam van weggeweest en Favourite Things begon te zingen, je weet wel, keek ik de rij kinderen af, en verdomd, ik was de enige die zat te huilen. Toen we buiten kwamen, werd er een meisje doodgereden.

Omdat ze op de stoep liep. Want op de stoep lopen, mochten we niet. Ik fietste langs het Sarphatipark toen me om de een of andere reden het Kronkelpad te binnen schoot. Meteen wendde ik de steven en ging het richting Weteringschans. Ik had het pad op de kaart gezien en was benieuwd of het kronkelde. Het was niet gemakkelijk te vinden, maar uiteindelijk kreeg ik het in het vizier. Het ligt in het Weteringplantsoen langs de Singelgracht en kronkeltechnisch stelt het niet veel voor.

Eigenlijk is het vrijwel recht, zodat je je kunt afvragen waarom het Kronkelpad heet. En op dat moment zag ik het borstbeeld van Simon Carmiggelt staan. Mooi beeld, vooral Simons bril staat er prachtig op, maar daar gaat het nu niet om. Waar het om gaat, is dat Carmiggelt hier vroeger woonde, aan het Eerste Weteringplantsoen, en dat hij daar zijn dagelijkse Kronkel schreef, en vandaar dus Kronkelpad, je moet er maar opkomen.

Ik herinner me dat Tim Krabbé lang plannen heeft gesmeed om de Kronkel in dat busje een keer te vervangen door een Kronkel van eigen hand. Het was een fijn plan, maar er waren enige complicaties. Ik keek om me heen en spotte toen vlak bij het borstbeeld van Carmiggelt de bosjes waarin Annie M. Schmidt en Renate Rubinstein zich verscholen hielden toen het beeld onthuld werd. Tiny, de weduwe van Carmiggelt leefde nog en had Renate die zo lang een verhouding met haar man had niet uitgenodigd.

Daarom ging Renate toen maar in de bosjes zitten. Het is dit jaar vijftig jaar geleden dat De Vervalsers van Theo Kars verscheen. Om het te vieren verschijnt vandaag een herdruk van de roman, waarin Kars de oplichterspraktijken ­beschrijft die er toe leidden dat hij twee jaar gevangenisstraf kreeg. Plus de tijd om zijn boek te schrijven. Voor de gelegenheid heb ik het herlezen en het beviel me zoals het me vijftig jaar geleden beviel. Kort na het verschijnen had ik een afspraak met Theo die toen op een kamer in de Reguliersdwarsstraat woonde.

Niet zonder trots liet hij me zijn boekenkast zien die erg klein was. Nadat we Montherlant, Vailland, Graham Greene besproken hadden, gingen we naar het Rembrandtplein waar hij me op het terras van Monico uitlegde hoe je het moest aanleggen een vrouw te verleiden. Hij had daar een tot in details uitgewerkt scenario voor, zo bleek. Ik hoorde zijn uiteenzetting met een enige verbazing aan. Ik had altijd gedacht dat het allemaal van zelf ging. Je zag een leuk meisje, zij zag jou, je lachte eens naar elkaar en voor je het wist, was je waar je wezen wou.

Maar zo was het niet, zei Theo. Het ging er om de juiste dingen te zeggen en te doen. Zo moest je­ ­tegen meisjes zeggen dat je een hekel aan voetbal had. Ik vroeg meiden vaak of ze zin hadden om zondag mee te gaan naar voetballen en daar zeiden ze zelden nee tegen, maar volgens Kars was dat dus fout. Hoe meiden reageerden op de bokswedstrijden die ik met ze ­bezocht, heb ik hem nooit verteld.

Wegens kaastrek ging ik de Kaaswaag binnen waar Theo die van de kaas is achter de toonbank iets onduidelijks stond te rommelen. Ik heb vandaag al twee keer een natte rug gehaald. Mijn oom, vertelde ik, was timmerman. Hij verbouwde Chinezen en peeskamers, in de Bloedstraat, de Monnikenstraat, de Barnde­steeg. Goede vraag voor iemand die altijd tussen de meisjes heeft gewoond.

Hij was toen een jaar of Op zijn zevende of achtste had zijn vader hem een keer naar tante Gré gestuurd om haar haar boodschappen te brengen. Gré zat op twee hoog in de Oude Nieuwstraat.

Er lopen nog wel groepen, maar ze zijn niet meer zo groot en her en der signaleerde ik zelfs een toerist die het avontuur Amsterdam in gezinsverband had aangedurfd.

Fietsen blijft ­gevaarlijk, maar de rijen bij de ­attracties zijn tot hanteerbare proporties geslonken, Japanse meisjes zijn met zijn tweeën en het ­immer boos kijkende rugzakmeisje is weer alleen. We zijn er nog niet maar het gaat de goede kant op. Laatst was ik in de Javastraat die me na de Eerste Van Swinden een beetje tegenviel.

Ik was toen op de fiets. Nu waren we weer in de ­Javastraat, maar te voet. De Java Bookshop bijvoorbeeld, toch een sieraad van de straat, was me geheel ontgaan. Om over de diverse viswinkels nog maar te zwijgen. Bij El Pescado meen ik achterin de zaak zelfs ­tafeltjes te zien, tafeltjes die tot een zekerheid uitgroeien als ­iemand die in die streken vis staat schoon te maken ons wenkt om binnen te komen. Andere keer, ­besluiten we. Als we bij Bedford-Stuyvesant zijn neergestreken, waar de dienster haar debuut maakt, en dat doet ze goed, denk ik aan de illegale tafeltjes achterin de viswinkel van Jan op de hoek van de Damstraat en de Oudezijds Voor.

Jan serveerde daar illegale oesters en schonk daarbij nog veel illegalere witte wijn, wat smaakte zoals ­alleen verboden vruchten smaken kunnen. De Javastraat neemt zijn einde bij het spoorviaduct. Daar staat Snackkar de Kale Man, een beter slot voor een straat laat zich niet denken.

Het was druk voor de etalage van de fossielenwinkel op de hoek van de Eerste Jacob van Campenstraat en de Ruysdaelkade. Er stonden maar liefst drie mensen met hun neus tegen de ruit en met mij erbij werden dat er vier. Nadat twee liefhebbers ­waren opgekrast, bleef ik achter in het gezelschap van een dame die haar fiets aan haar hand hield. Maar laatst is er een merel tegen mijn raam gevlogen en die kost dus niks. Hij ligt nog op het balkon, maar hij is hele­maal schoon.

Nu moet ik ­alleen nog het koppie van het lijf scheiden. Ik liep de Jacob van Campenstraat in, waar me een man tegemoet kwam die drie lege lijsten over zijn schouder had hangen. Op de door Christo ingepakte Pont Neuf in Parijs heb ik een man zien lopen die een ingepakt schilderij onder zijn arm had. Dat is 32 jaar geleden, maar zoiets vergeet je niet. Vanuit de Frans Halsstraat kwam een wit busje aanrijden. Ik hield mijn pas in om het te laten passeren, maar het busje stopte voor me.

De man achter het stuur rookte een shagje en gebaarde dat ik door kon lopen. Ik lachte en gebaarde iets vriendelijks terug. Ik poker graag, zolang het maar niet om geld gaat. Wie wil weten wat er mis kan gaan, kan te raden bij de ­Sopranos, waar ze als ze iemand te gronde willen richten vaak de ­pokertafel neerzetten. Opmerkelijk dat mensen als ze winnen, willen doorspelen omdat ze aan het winnen zijn, en als ze verliezen, willen doorspelen om het verloren geld terug te winnen.

Beide mogelijkheden leiden tot verlies. In een eindeloze pokernacht heb ik eens twee vrienden geheel maar dan ook geheel uitgeschud.

Toen we weer bij zinnen waren, heb ik ze alles teruggeven en het plechtige besluit genomen nooit meer om geld te spelen. En daar heb ik me aan gehouden. Maar zolang het om lucifers, schelpen of fiches gaat, poker ik graag. Op een dag viel er een uitnodiging in de bus van het Holland Casino Amsterdam. Of ik mee wilde doen aan hun pokertoernooi voor journalisten. Dat wilde ik, en ik was niet de enige zo bleek toen ik op een herfstige middag voor het eerst van mijn leven het Casino betrad.

Je zag het aan de manier waarop we onze kaarten vasthielden, naar de dealer keken of de fiches over de groene tafel schoven. Met een paartje zevens blufte ik een hele tafel af om vervolgens door te gaan naar de finale. Waarin ik genadeloos onderuit werd gehaald door de correspondent van het Schager Sufferdje. Het einde van een mooie droom. Sinds rij ik met enige regelmaat de stad in of uit met de trein die me afhankelijk van in of uit richting Centraal Station voert of richting Zaanstreek.

Ik heb het altijd een leuk ritje gevonden. Als ik in de stad inkom, zit ik bij voorkeur rechts in de coupé en verheug ik me op het moment dat ik de toren van de Westerkerk zal zien. Ook de prachtige dubbele rij bomen op het Westergasterrein mag zich in alle seizoenen op mijn belangstelling verheugen. Als ik de stad uit rij, zit ook aan de rechterkant. Vroeger keek ik dan vooral uit naar het welhaast ondeelbaar korte ogenblik dat je in een bocht de Hembrug zag liggen. Ter hoogte van het Prinseneiland schreeuwt van alles om aandacht, het elegante ophaalbruggetje over de Prinseneilandsgracht, de pakhuizen, de scheepswerfjes, de smalle straten, maar ik kijk uit naar de achterkant van een gebouw, waarvan ik de voorkant nooit gevonden heb, al was maar omdat ik er nooit naar heb ­gezocht.

Op die achterkant, vlak onder de daklijst, staat met zwarte letters op een gele achtergrond: Van sommige woorden krijg je een smaak in je mond. Het eerste wat me opviel op de expositie Kijk Amsterdam in het Stadsarchief was dat het Amsterdam van zoals hier te zien veel meer op het Amsterdam van nu lijkt dan het Amsterdam van mijn jonge jaren.

Ga met Reinier Vinkeles op de Geldersekade staan en kijk in de richting van de Schreierstoren en je ziet dat je ziet wat hij zag. Hij zag het in , tweehonderdvijfenvijftig jaar geleden.

Vijfenveertig jaar geleden kwam ik vaak op de Geldersekade. En buiten was het een zooitje, heel anders dan op de lieflijke prent van Vinkeles. Toch is er een ding dat de prent met de Geldersekade van de jaren zeventig verbindt.

De man die tegen een boom staat te wateren. Opmerkelijk zijn ook de vele begrafenisstoeten die voorbij trekken, en als je er eenmaal een gezien hebt, zie je ook overal honden ronddartelen. Of er inderdaad ­zoveel honden in de stad rondliepen, waag ik overigens te betwijfelen. Ze lijken vaak aanwezig om wat vaart in de boel te brengen, want de mensen staan nogal eens stil.

De poes komt er bekaaid af. Ik telde er maar een. Op een huiselijk tafereeltje van Jacob Cats ligt hij op een kussentje op een stoel naast het haardvuur heerlijk poes te wezen. En straks weer muizenvangen. Lang geleden zat ik eens met Tom Egbers bij Wildschut. Het zal in zijn geweest, want we hadden het over De zwarte meteoor, het boek dat Egbers had geschreven over Steve Mokone, de uit Zuid-Afrika afkomstige voetballer met wie Heracles in kampioen werd.

Van de tweede divisie, dat wel. De zwarte meteoor is het enige boek over een voetballer dat ik gelezen heb. Arie Rekelbast ken ik uit Arie Rekelbast: Piet Keizer is niet verzonnen en ik zou graag een boek over hem lezen, maar ik geloof niet dat het bestaat.

In Wildschut zat ik met Egbers te praten over dat wonderbaarlijke Almelose seizoen van Mokone toen er voor het raam een nog veel wonderbaarlijker gestalte opdook. Een man van middelbare leeftijd had zich vlak voor de ruit op zijn hurken laten zakken en sprong stuiterend op en neer, terwijl hij met een uitgestrekte arm naar ­Egbers wees. Van de week zag ik Tom Egbers zitten bij Wildschut.

Ik overwoog actie, maar zag er van af wegens oude knieën. In zijn boek Amsterdam bij gaslicht, met illustraties van Fiep Westendorp, beschrijft Maurits Dekker de spelletjes uit zijn jeugd en stelt anno vast dat ze allemaal verdwenen zijn.

Het gekke is dat ik die spelletjes anno allemaal gespeeld heb. Of heb zien spelen. Er waren nu eenmaal meidenspelletjes, waaraan je als jezelf respecterende jongen niet kon meedoen. Maar voor de rest herkende ik ­alles, van Schipper mag ik overvaren tot hoepelen, oorlogverklaren, landjepik, diefie-met-verlos en Spanjolen, een spel dat door Dekker overigens niet genoemd wordt.

Als ik door een stille straat loop, neem ik nog wel eens de stoep-rand. Met gespreide armen als was ik een koorddanser zet ik mijn ene voet voor de andere op het blauwe steen. Haal ik de hoek, dan komt het goed. En als ik van de stoeprand val, dan telt het niet. Tegels zijn, zoals iedereen weet, voor dit spel, dat nog altijd druk gespeeld wordt, ook heel geschikt. Een naam heeft het niet bij mijn ­weten, maar het is kindermagie.

Net als de putdeksel die ik ­onlangs aandeed en die nog steeds de putdeksel is die als doel diende als wij op het autoloze pleintje na het poten een potje putten. Met een niet al te grote, maar ook weer niet te kleine rubberen bal. Blauw-Wit tegen Ajax speelden we. Of Engeland tegen Hongarije. En wie er ook won, we wonnen altijd. En ineens ben je op weg naar huis. De hele middag lag de stad wijd open en kon je alle kanten op, naar de Diemerdijk of Jongensland, naar het Victorieplein, naar de oude Sloterweg of de Ringdijk, maar toen ik de Utrechtsestraat uit kwam en het Frederiksplein bereikte, wist ik dat het einde van de rit in zicht was.

Door mezelf af te vragen waar de Galerij ook alweer stond, probeerde ik nog wat uitstel te kopen, maar erg lukken wou het niet. Ik heb geen scherpe herinneringen aan de Galerij.

Je zag er wel eens een kind op een grote bal lopen of op een eenwieler balanceren, maar het was er vooral stil, meen ik. Mijn herinneringen lijken met de Galerij verdwenen. Ik ben al bij de Govert Flinckstraat als ik voor de zoveelste keer bedenk dat ik eens moet kijken hoe het nou precies ziet met Van Woustraat 28, waar Hoyer woonde over wie Bavink tegen de journalist die hem, in Mene Tekel, komt interviewen zegt: Zo slecht en onreviaans als de verhalen in The acrobat zijn, zo goed zijn dezelfde verhalen als Vier wintervertellingen.

Alies uit Hengelo die als ze mijn haren knipt vaak zo gezellig met mij praat, had een oudere heer onder de kapmantel met wie ze meteen een gezellig gesprek ­begon. Hij zij tegen z'n papagai: Ales wat ik in deze minuut zeg moet je onthouden. In die minuut zij hij: Je speelt vals, mooie duik en bergen inzicht. De kapitein gaat dood en de papagai komt in een asiel waar hij geadopteerd word door een rijk, oud vrouwtje.

Op een dag gaat het vrouwtje met haar vriendin kaarten aan het zwembad, plots zegt de papagai: De vriendin van het oude vrouwtje valt van schrik in het water, De papagai roept mooie duik. Haar bikini hesje schiet los en de papagai roept bergen inzicht! Er staat een Chinees bij een sexshop,en op een gegeven moment komt er een kleuter aan,en die kleuter zegt tegen de Chinees: Een hevig geëmotioneerde vrouw meldt zich bij haar huisarts.

Ik ben absoluut tegen silicone implantaten, kunt u mij aan een alternatieve oplossing helpen? De dokter beraadt zich en komt na een half uur terug met een dikke encyclopedie. God zijn is niet makkelijk Een man wandelde op het strand en was in diep gebed verzonken. Plots zei hij luidop: De lucht brak open boven zijn hoofd en de luide stem van God riep: De steunpijlers zouden tot op de bodem van de oceaan moeten reiken, om dan nog niet te spreken van de afstand, heb je enig idee hoeveel ijzer en beton ik daarvoor zou nodig hebben?

Natuurlijk kan ik je wens wel volbrengen, maar toch zou ik liever hebben dat je iets minder aards wenst. Denk even diep na en doe een andere wens".

De man dacht lang na en zei uiteindelijk: Een doordeweekse avond in het weekend voor velen van ons Een zatlap loopt 's nachts over straat en belt om 4 uur 's morgens aan bij mensen. De man des huizes staat woedend op en vraagt: Je moet me komen duwen! Bol het af jong Het is jou toch ook al overkomen dat je in panne staat met de wagen.

Je had die sukkelaar toch wel even kunnen helpen duwen. Nee, zo ken ik je helemaal niet, ik ben zeer teleurgesteld in je. Hij opent de deur en roept: Een vent in een Mini staat bij het stoplicht naast een Rolls Royce.

De bestuurder van de Mini doet zijn raam open en roept naar de bestuurder van de Rolls: Heb je telefoon in je Rolls? Ik heb er een in mijn Mini! Trouwens heb je ook een ijskast daarbinnen? Ik heb een ijskast hier achterin mijn Mini! He, heb je trouwens ook tv in je Rolls? Weet je, ik heb een tv achterin mijn Mini!

Een Rolls Royce is de meest luxueuze auto van de wereld! He, heb je daar ook een bed? Ik heb een bed achterin mijn Mini! Hij gaat direct naar de dealer waar hij meteen opdracht geeft om een bed achterin zijn Rolls te laten inbouwen. De volgende morgen gaat hij zijn auto afhalen en het bed zag er schitterend uit.

Lakens van satijn en koperen versiering. Het was duidelijk een bed dat in een Rolls Royce thuishoorde. En dus ging de bestuurder van de Rolls op zoek naar de Mini. Na heel de dag te hebben rond gereden ziet hij de Mini uiteindelijk staan op een parkeerplaats met al de ramen aan de binnenkant beslagen. Hij stapt uit zijn Rolls en klopt op het raam van de Mini.

Toen hij geen antwoord kreeg bleef hij op de ramen van de Mini kloppen en uiteindelijk steekt de eigenaar zijn hoofd zeiknat naar buiten. De bestuurder van de Mini kijkt hem aan en zegt: Een jongeman loopt voorbij een supermarkt en ziet er een bericht aan het uitstalraam hangen waarop vermeld staat dat de eigenaar op zoek is naar een verkoper.

Hij stapt de winkel binnen en zegt dat hij de job graag wil. De eigenaar vraagt hem of hij ervaring heeft waarop de jongen het volgende antwoordt: Ik ben de koning van de verkoop!

Mijn neef had een winkel en ik heb er zoveel verkocht dat hij stinkend rijk is geworden. Hij woont nu in Brazilie en hoeft er niets anders meer te doen dan te luieren in de zon. Ik zweer op het hoofd van mijn moeder dat er geen betere verkoper bestaat dan ik. Heb je veel verkocht? Voor hoeveel heb je aan hem verkocht? Hoe heb je dat in godsnaam voor elkaar gekregen? Ik stelde hem ook geschikt aas voor alsook een kist om zijn materiaal in te bewaren.

Ik vertelde hem dat één lijn eigenlijk niet voldoende is om goed te kunnen vissen en zei hem dat hij met de andere lijn die ik hem toonde zelfs Moby Dick zou kunnen vangen. Voor die lijn had hij natuurlijk ook een reeks aangepaste dobbers en vliegjes nodig. Omdat hij geen belachelijk figuur zou slaan bij de andere vissers verkocht ik hem ook de aangepaste outfit, een waterdichte broek, laarzen, een jas, was om z'n jas te beschermen en een petje.

Ah ja, want met een splinternieuwe uitrusting en zonder aangepaste kledij ziet hij eruit als een idioot en onze klanten mogen er niet uitzien als idioten, nietwaar?

Ik vroeg hem waar hij van plan was om te gaan vissen en hij zei dat hij naar zee wou gaan. Ik heb hem dan ook gezegd dat hij best een boot zou kopen en verkocht er hem één van 12 meter met 2 buitenboord motors. Toen ik vroeg hoe hij die boot naar de kust zou brengen, zei hij dat hij dat nog niet goed wist. Ik heb hem dan maar de allernieuwste Mercedes Jeep verkocht met een aanhangwagen om de boot aan vast te maken.

Als ik alles optelde kwam ik aan EUR De mond van de eigenaar valt open, hij geloof z'n eigen oren niet en zegt: De klant kwam eigenlijk een doos tampons kopen voor z'n vriendin en toen zei ik "Aangezien je weekend toch naar de kloten is, waarom zou je niet eens gaan vissen? Komt een jood bij de bakker en vraagt: Hoeveel krenten zitten er in een krentenbrood? Wat gaat jou dat aan! Ik vraag jou toch ook niet hoeveel joden er in een jodenkoek zitten! Er zit een Belg een Nederlander en een Duitser in de trein op weg naar Rotterdam.

De Belg zegt tegen de Duitser dat zij binnen twee jaar een compleet kasteel hebben gebouwd met harnassen en suppoost voor de deur. Waarop de Duitser tegen de Belg zegt dat dat nog niets is, want wij hebben een complete fabriek gebouwd met productlijn en afzetgebied in één jaar tijd. Na dit gezegd te hebben, komen ze in Rotterdam aan en zien ze de Euromast. Daarop vragen ze de Nederlander wat dat is. Ik reed vandaag een beetje rond, en opeens stond er een agent met een lasergun.

Of meneer agent mijn rij- en kenteken bewijs even mocht zien. Dat mocht, en terwijl hij deze bekeek vroeg hij waar ik zo snel naartoe ging. Er zijn verschillende gereedschappen voor, maar we hangen de heren ook weleens aan hun geslachtsdeel op totdat deze uitgerekt is tot ongeveer 1,80 meter. Ze snuffelen eraan en dan zegt de ene volgens mij is deze van een meisje van De andere zegt na het snuffelen: Nee, volgens mij van ene van Deze discussie gaat zo over en weer totdat de pastoor naar buiten komt en vraagt wat er aan de hand is.

Hierop zegt de pastoor: Laat mij maar eens ruiken. Nou , zegt de pastoor , na uitgebreidt gesnuffeld te hebben: De leeftijd weet ik niet, maar weet wel Ze komt niet uit mijn parochie. Een vrouw fietst door Rotterdam, met op haar bagagerek 2 grote vuilniszakken, waarvan in 1 zak een gat zit, en er vallen iedere keer briefjes van 20 euro uit die zak.

De politie ziet dat en houdt haar aan: Verdomme zegt die vrouw, dan moet ik zo snel mogelijk terug om die briefjes weer op te pakken! Nee, zegt de vrouw, ik heb een tuintje, vlak naast het feyenoord stadion en ze komen dan vaak om te plassen, zo mijn tuintje in! Maar ik laat dat niet ongemoeid. De agent moet lachen en vind het een goed idee. Maar wat zit er dan in die andere zak??? Tja, zegt de vrouw, ze betalen natuurlijk niet allemaal.. Mijn vader en ik woonden boven een sigarenzaak en wij bezaten een televisie.

Boven ons woonden een knappe weduwe en haar even knappe dochter. Zij bezaten geen televisie en kwamen daarom vaak bij ons kijken.

Na een paar weken werd ik verliefd op de knappe weduwe en trouwde haar. Mijn vader werd verliefd op de knappe dochter en trouwde ook. En toen begon de narigheid Daar mijn vader trouwde met de dochter van mijn vrouw, en dus ook mijn dochter, is mijn dochter thans mijn moeder. Tegelijkertijd ben ik haar vader want ik ben immers met haar moeder getrouwd.

Verder is mijn vader de schoonvader van mijn vrouw, omdat ik zijn zoon ben en haar echtgenoot. Mijn vader is echter ook de schoonzoon van mijn vrouw, die tevens zijn schoondochter is omdat zij getrouwd is met mij. Maar dat is nog niet alles Mijn vrouw krijgt een prachtige zoon en nu begint de ellende pas goed. Mijn zoon is allereerst mijn zoon. Goed maar hij is de broer van mijn moeder, omdat zij de dochter is van mijn vrouw en getrouwd is met mijn vader.

Zodoende ben ik een neefje van mijn zoon en daardoor een neefje van mijn dochter, omdat zij een zuster van hem is. Zij, mijn moeder, die trouwens ook mijn dochter is, is dus tegelijkertijd mijn tante; en mijn vader, haar echtgenoot, is dus mijn oom. Mijn vader is tevens grootvader geworden. Zijn echtgenoot, mijn dochter, is dus grootmoeder.

Mijn vader en ik zijn dus over-grootouders geworden van onze zoon. Maar het werd nog veel en veel erger De jonge vrouw van mijn vader wordt moeder en haar zoon wordt mijn broer, die tevens zoon van mijn tante is en dus mijn neef. Verder is mijn eigen zoon de oom van mijn broer , omdat mijn broer een zoon is van zijn zuster. Mij vrouw is grootmoeder geworden, want de jonge zoon van mij vader is de zoon van haar dochter. Aangezien ik met haar getrouwd ben, ben ik grootvader.

Let wel, grootvader van mijn broer. Aange-zien de grootvader van broer ook mijn grootvader is, ben ik dus mijn eigen grootvader! Volgens mij hadden die knappe weduwe en haar knappe dochter beter zelf een televisie kunnen aanschaffen.

Dan had het allemaal niet zover hoeven komen. Een agent op een paard staat aan een rood licht. Naast hem staat een kleine jongen op zijn fietsje. De agent kijkt naar beneden en zegt: Het jongentje kijkt naar het paard en zegt: Er scheppen twee boeren tegen elkaar op. Een andere man zegt: Er was eens een man en die liep op straat. Daar blijft het een beetje warm.

En dan heeft mama er geen last van als ik het thuis doe in de w. Er was een marokkaans jongetje die wilde nederlander worden. Hij zei tegen zijn meester: Dat jongetje deed goed zijn best en haalde het.

Het jongetje was heel blij en ging het tegen zijn ouders vertellen. Ze ouders sloegen hem en het jongetje moest naar z'n kamer,,Hij zei: Ik ben nog niet eens 10 minuten Nederlander en ik heb nu al ruzie met die kut marokkanen.

Twee paraplu's lopen over straat. Opeens zien ze een wandelstok. Een marokaan komt thuis en zegt 'papa ik ben nederlander geworden'pats een klap voor zijn kop hij gaat naar boven en zegt 'mama ik ben nederlander geworden'pats een klap voor zijn kop zegt hij: Het zit in een jaar maar niet in een eeuw.

Het zit in een maand maar niet in een week. Het zit in een dag maar niet in een uur. Jantje komt op school en de juf die vraagt wie van de vaders heeft een byzonder beroep dus pietje zegt mijn vader is timmerman de juf zegt ja een mooi beroep maar niet byzonder nou klaasje mijn vader is schilder nou ook een mooi beroep maar ook niet byzonder nou zegt jantje mijn vader is druivenplukker in tYbet whoOw riiep de hele klaS dat ik byzonder dus jantje krijgt vrij vanmidag dus jantje komt thuis en zijn moeder vraagt wat is dat nu al thuis ja ik zei dat papa druiven plukker was is tYbet nee sukkel zegt zijn moeder ik zei je vader loopt met een druiper in de ziekte wet.

Jantje was een jongetje van 7 jaar oud uit Volendam en net zoals andere jongens van zijn leeftijd, erg nieuwsgierig. Hij had de laatste tijd behoorlijk wat verhalen over vrijen van de andere jongens gehoord en vroeg zich af hoe dat in z'n werk ging.

Op een dag stelde hij de vraag aan z'n moeder en die raakte er volledig door in de war. Jantje deed dit en beschreef de volgende morgen alles aan zijn moeder. Toen begon hij haar te kussen en te omhelzen. Ik denk dat Emma ziek werd, want ze trok een heel gek gezicht. Hij moet waarschijnlijk hetzelfde gedacht hebben, want hij stopte zijn hand in haar blouse om haar hart te voelen net zoals de dokter altijd deed.

Alleen was hij niet zo goed als de dokter, want hij scheen nogal wat problemen te hebben om haar hart te vinden. Hij werd waarschijnlijk ook ziek, want ze begonnen allebei te hijgen en raakten helemaal buiten adem. Zijn andere hand werd waarschijnlijk koud, want hij stopte hem onder haar rokje.

Op dat moment bereikte Emma de rand van de bank, waarna de koorts begon. Ik wist dat het koorts was omdat Emma vertelde dat ze erg heet was. Tenslotte ontdekte ik wat hun zo ziek maakte, er was een paling in zijn broek gekropen. Hij sprong ineens uit zijn broek en ging rechtop staan, wel 20 cm lang. Met 1 hand greep hij de paling beet om ervoor te zorgen dat hij er niet vandoor zou gaan.

Toen Emma dat zag werd ze erg bang; haar ogen werden groot, haar mond viel open en ze begon dinge zoals 'Oh, mijn God' te roepen. Ik zou haar toch eens moeten vertellen over de veel grotere palingen die ik in het meer heb gezien.

Emma werd plotseling heel moedig en probeerde de kop van de paling er af te bijten. Toen maakte ze een geluid en liet de paling gaan, waarschijnlijk beet hij terug. Ze greep hem met twee handen stevig beet, haalde een muilkorf uit haar tasje en schoof die over zijn hoofd om ervoor te zorgen dat hij haar niet meer kon bijten.

Emma ging op haar rug liggen en spreidde haar benen, zodat ze de paling in een schaarklem kon nemen, terwijl haar vriendje hielp door op de paling te gaan liggen. Het werd een vreselijk gevecht. Emma begon te grommen en te schreeuwen, terwijl haar vriendje bijna van de bank viel. Ik denk dat ze de paling dood wilde maken door hem tussen hun lichamen fijn te persen.

Na een tijdje hielden ze allebei op met bewegen en zuchtten diep. Haar vriendje ging rechtop zitten, waarschijnlijk had hij de paling gedood. Ik wist dat hij dood was, want hij hing helemaal slap en een gedeelte van zijn ingewanden kwamen naar buiten. Emma en haar vriendje waren moe van het gevecht,maar gingen gewoon door met vrijen.

Hij begon haar weer te kussen en te omhelzen en waarachtig, de paling was nog niet helemaal dood. Hij ging gelijk rechtop staan en begon weer met vechten. Waarschijnlijk zijn palingen net katten; ze hebben 9 levens of zoiets. Deze keer probeerde Emma de paling te doden door erop te gaan zitten. Na een worsteling van 35 minuten wisten ze eindelijk de paling voorgoed te doden.

Ik weet dat hij dood was omdat Emma's vriendje zijn huid eraf stroopte en door het toilet spoelde. Een man klaagt tegen zijn vriend. In de supermarkt staat nu een computer die sneller en goedkoper een diagnose kan stellen!

En dat maar voor ene euro. De man denkt, hierbij heb ik niets te verliezen en hij vulde een potje met urine en ging naar de supermarkt. Bij de ingang vond hij de computer. Hij goot het urinestaal in de machine en stak een euro in de daarvoor bestemde gleuf. De computer maakte verschillende geluiden allerlei lichtjes begonnen te flitsen.

Na een poosje gleed een smal strookje papier uit de automaat met daarop devolgende tekst: Hou de arm enkele dagen warm en vermijd zwaar werk. Binnen twee weken zal de pijn verdwenen zijn. Later op de avond, denkend aan de snelheid waarmee de technologie evolueert en hoe deze machine de medische wereld in de toekomst zal beïnvloeden, begint de man zich af te vragen of hij het apparaat niet in de war zou kunnen sturen.

Hij besluit het er op te wagen Hij mengt wat afwaswater met een staaltje van de uitwerpselen van de hond, samen met de urinestaal van zijn vrouw en zijn dochter. Om het af te werken masturbeert hij nog eens in het mengsel, sluit het potje af en schudt alles goed door elkaar. Hij snelt naar de supermarkt en giet het mengsel in de machine, steekt een euro in de gleuf en wacht geduldig af De computer maakt weer dezelfde geluiden en print na een tijdje de volgende analyse: Uw leidingwater bevat te veel kalk.

Uw hond heeft wormen. Uw dochter is aan de drugs. Help haar met een ontwenningskuur!!! Uw vrouw is zwanger en u bent niet de vader. Zorg voor een goede advocaat!!!

En als u niet stopt met masturberen, zal uw tenniselleboog nooit genezen!!! Mijn vriend was Jehova-getuige. Hij is jammergenoeg gestorven ,maar hij was echt een goeie in zijn vak. U vertelde daarnet dat u de enigste wasd die een schipbreuk heeft overleefd hoe werd u gered? Is er een man aan het drinken aan de maas en komt er een andere man aan en zegt: Hey daar moet je niet aan drinken das is vergiftigd.

Maar de man die aan het drinken kijkt eens op en gaat gewoon verder drinken. De andere man geeft ook niet op en zegt nog eens: Hey daar zit vergif in. Een vrouw had twee kinderen ze heetten pudding en gisteren. Het zit in een boom en het roept de hele tijd: Een mandarijn met een grote mond. De andere oen vind het goed en verstopt zich in de kast. Ondertussen gaat de ander oen tellen en zoeken. Na twee uur lopen zoeken roept de ene oen: Het drinken van bier geeft geen voldoening en heeft geen smaak; het overhemd is nat.

De mond is niet geopend tijdens het drinken, of het glas is naar het verkeerde gedeelte van het gezicht gebracht. Haal een ander biertje en oefen voor de spiegel. Oefen dit met net zoveel bier als nodig is om de techniek geperfectioneerd te krijgen.

Het drinken geeft geen voldoening en heeft geen smaak; bier ziet ongewoon bleek. Het glas is leeg. Vindt iemand die U een nieuw glas aanbiedt. Voeten voelen koud en nat aan. Het glas wordt onder een incorrecte hoek vastgehouden. Houdt het glas zo vast, dat het met het open eind aan de bovenkant komt. Voeten voelen nat en warm aan. Ga direct naast de dichtstbijzijnde hondenbezitter staan en beklaag U over het gebrek aan training van de hond. Eis een biertje als compensatie.

De bar ziet wazig. U kijkt door de bodem van het glas. Zoek iemand die U een nieuw glas aanbiedt. U bemerkt plotseling dat de muur van de bar dezelfde decoratie heeft als het plafond. U bent achterover gevallen. Als het glas nog vol is en er is niemand op uw drinkarm gaan staan, rustig blijven waar U bent.

Alles ziet plotseling donker en U heeft een mond vol losse tanden. U bent voorover gevallen. Handel hetzelfde als is beschreven bij achterover vallen. Ruimte lijkt ongewoon donker. Café is al gesloten. Laat uw thuisadres bevestigen door de barman. U wordt naar buiten gedragen.

Probeer vast te stellen of U naar een andere bar gedragen wordt. Is dit niet het geval, schreeuw dan dat U wordt ontvoerd. Taxi heeft plotseling vele kleuren en tekeningen en ruikt zuur. Bierconsumptie heeft persoonlijke limiet overschreden en treedt uit het lichaam. U herkent niemand en ook de kamer niet. U bent het verkeerde feestje binnengewandeld. Kijk of er gratis bier is. Piet en Kees zitten samen bij de Nederlandse luchtmacht. Kees springt uit het vliegtuig en trekt aan zijn parachute.

De parachute gaat open. Daarne springt Piet uit het vliegtuig. Hij trekt aan zijn parachute: Piet valt met een noodgang naar beneden. Er zit een man aan de bar van het café. Hij bestelt een biertje, drinkt het in één keer leeg en dondert van zijn barkruk. Moeizaam kruipt hij terug op zijn barkruk, bestelt weer een biertje, drinkt het weer in één keer leeg en dondert weer van zijn barkruk.

Dit herhaalt zich nog een aantal keer. Hij bestelt een nieuw pilsje maar de barman zegt dat hij nou wel genoeg gehad heeft, en dat het tijd is om naar huis te gaan.

Na lang aandringen krijgt hij dan toch nog zijn laatste pils, drinkt het weer in één keer leeg, valt weer van zijn stoel, kruipt naar de deur, kan deze met veel moeite openmaken en kruipt de straat op richting huiswaarts. Thuis aangekomen probeert hij zijn sleutel in het slot te steken van op de grond, maar hij kan er net niet bij.

Zijn vrouw heeft hem echter gehoord en trekt met een ruk de deur open. Een Engelse toerist neemt een taxi om van de luchthaven in Zaventem naar z'n hotel in Brussel te gaan.

Ze rijden voorbij het Atomium en de passagier achter in de taxi wil de chauffeur wat vragen over het imposante bouwwerk, dus tikt hij de man even op z'n schouder om de aandacht te trekken. De taxichauffeur geeft een geweldige schreeuw en verliest de macht over het stuur. Het voertuig mist op een haartje na een tram, ramt bijna een huis, alvorens op het trottoir tussen tientallen driftig fotograferende Japanners tot stilstand te komen. Het is even stil in de taxi. Dan zegt de chauffeur: Ik ben me dood geschrokken.

Waarop de bestuurder zegt: Maar vandaag is mijn eerste dag als taxichauffeur. Hiervoor heb ik 25 jaar lijkwagens gereden. De Paus heeft een nieuwe pausmobiel laten maken bij Alfa Romeo, een omgebouwde speedstar. Hij vraagt zijn chauffeur of hij ook eens mag rijden. De chauffeur durft de Paus niet tegen het hoofd te stoten en hij laat de Paus een stukje rijden op een rustige autoweg op voorwaarde dat hij dan op de Pausmobieltroon mag zitten tijdens de rit. Dat gaat prima, km per uur, km per uur, km per uur, km per uur Heilige shit, denkt de agent als de auto stil staat, wat moet ik hier nou mee.

Als ik die een bekeuring geef kom ik nooit in de hemel. Hij besluit zijn chef te bellen en hij legt hem het geval voor. Zo hard rijden is misdadig. Maar als de agent blijft aanhouden vraagt hij uiteindelijk wie die beroemdheid dan wel is.

Maar 2pac is vlug onder een bus gedoken en de belg onder een ezel gaat de politie naar 2pac toe en vraagt wat doe je onder die bus zegt 2pac repareren gaat de politie naar de belg en vraaagt wat doe je onder die ezel zegt de belg ben net geboren. Op een markt staat een marktkoopman zijn wasmiddel aan te prijzen.

Hij zegt dat zijn wasmiddel alles scoon maakt. Jantje is voor het eerst savonds alleen thuis Maar Jantje doet dat toch. Eerst kijkt hij in het nachtkastje van zijn moeder, daar liggen alleen maar zetpillen. Dan kijkt hij in het nachtkastje van zijn vader, daar liggen kogels voor de jacht. Na wat met de spullen op het bed te hebben gespeeld De volgende morgen gaat vader jagen Hij snapt er niets van Als vader thuis is zegt hij tegen zijn vrouw Er was eens een Italiaan die half Nederlands sprak en half Nederlands vetstond.

De Italiaan ging naar een kledingwinkel en zei tegen de kassiere ''Broek passen'' vroeg de kassiere ''losse pijpen of strakke pijpen''. Zei de Italiaan ''Nee,Nee eerst broek passen straks pijpen''. Een mannetje heeft in de kroeg een stevig stuk in zijn kraag zitten zuipen.

Als hij naar buiten stapt, heeft het flink geregend. Het asfalt glimt van het water. Hij komt keihard op het asfalt terecht. Ligt een man in het ziekenhuis bij te komen van een operatie. Helaas mag hij niets eten en drinken.

Maar omdat hij zo'n ongelooflijke honger heeft, besluit hij de verpleegkundige maar te roepen. Sta ik laatst in de file draait die vent in de auto naast mij zijn raampje open Ik denk dat die iets wil vragen en draai ook mijn raampje open Ook een scheet gelaten?

Yantje zat in de klas en deed steeds broem broem! Waarom hebben ze dijken om friesland heen gebouwd??? Omdat friesen van die dikke zeikerds zijn. Een coach betrapt een voetballar die in de rust een sigaret rookt.

Waarop de voetballar antwoord: Er ontstaat het volgende gesprek: Er komt een lilliputtervrouwtje bij de dokter. Als het vrouwtje en de dokter achter het scherm zijn verdwenen, hoort de assistente de dokter vragen: Even later komen de dokter en het vrouwtje weer achter het scherm vandaan. Ondertussen is de assistente bloednieuwsgierig geworden en vraagt: Biologieles op de lagere school. De juf bespreekt de lichaamstemperatuur van levende wezens en legt uit. De mens,lieve kinderen,heeft een lichaamstemperatuur van 37° celcius.

Bij vissen is dat iets minder,en bij vogels is het iets meer. Plots ziet de juf dat Jantje,natuurlijk uit het raam zit te kijken. En Jantje aarzelend, mmm, uhh, de lichaamstemperatuur van de mens is normaal 37° celcius. Enne,als hij gaat vissen is het ietsje minder,en als hij gaat vogelen is het ietsje meer.

Komt Hans Klok [goochelaar] een bar binnen,,zegt er een klant eeej Hans Klok mensen,,eej Hans goochel eens wat Hans denk na en zegt OKEE,, Ga tegen die muur staan met je broek op je enkels,,okee zegt de man,,zo gezegt zo gedaan En nu komt het toveren let op Hans doet zijn armen onder de man zijn armen door en zegt ,,, kijk zonder handen,,.

Bliksem is het snelste op aarde, het begint 12 km. Een dronke man zit mee te luisteren en zegt: Ik had er laatst last van, ik rende als de bliksem naar de wc, drukte op het lichtknopje, maar nog voordat het licht aan was zat ik er al helemaal onder. GOD schiep de ezel en zei tot hem: En zo geschiedde het.

Vervolgens schiep GOD de aap en sprak tot hem: Uiteindelijk schiep GOD de man en sprak tot hem: Dat is veel te weinig om er van te profiteren”. Dat is de reden waarom vandaag een man 30 jaar leeft zoals een man, dominant en gelukkig. Vervolgens trouwt hij en leeft hij 10 jaar als een ezel, hard werkend en een zware last op zijn schouders dragend.

Daarna komen er kinderen, en leeft de man 15 jaar als een hond, die zijn huis en zijn bewoners bewaakt en krijgt wat de anderen niet wilden. Uiteindelijk komt zijn oude dag en leeft hij nog 10 jaar als een aap, de clown uithangend om zijn kleinkinderen te vermaken. Zoals hij had gevraagd. Er zitten 3 mannen op te scheppen over hun zoons, een notaris, een boekhouder en een rechter.

Maar hij heeft wel laatst van zijn vrienden een auto, een schip en een huis gekregen! Een jonge man was mee op een cruise in de Caraïbische Zee. Het was er prachtig, het was de ervaring van zijn leven. Maar dat duurde niet lang.

Plotseling stak er een wervelstorm op en het cruiseschip zonk vrijwel onmiddellijk. De man spoelde aan op het strand van een eiland. Hij keek eens wat rond en zag bananen en kokosnoten, maar dat was het dan ook wel zo'n beetje. Er was verder niets te zien. Geen mensen, geen huizen, niets.

Hij was wanhopig en verlaten, maar hij besloot er het beste van te maken. Dus de volgende vier maanden at hij bananen, dronk hij kokosnotensap en meestal keek hij naar de zee, hopend op een schip dat hem zou komen redden. Op een dag zag hij dat er vanaf de hoek van het eiland een roeiboot kwam aanvaren. In de roeiboot zat de mooiste vrouw die hij ooit had gezien. Ze was lang, gebruind, en haar golvende blonde haar gaf haar een bijna hemels uiterlijk.

Ze roeide haar boot naar hem toe. In ongeloof vroeg hij: Hoe kom je hier? Ik ben hier beland nadat mijn cruiseschip gezonken is. Met hoeveel zijn jullie? Je moet echt geluk gehad hebben dat er een roeiboot tegelijk met je is aangespoeld. Ik ontdekte dat wanneer ik het verwarmde tot een bepaalde temperatuur, het smolt tot een smeedbaar, buigzaam ijzer. Dat gebruikte ik om de gereedschappen te maken. Maar genoeg hierover, waar woon je?

Dus gingen ze beiden in de roeiboot en gingen naar haar kant van het eiland. De vrouw roeide hen vlot naar een kade die naar de toegang leidde tot haar stekje. Ze bond de roeiboot vast met een mooi geweven touw van hennep. Ze liepen een stenen trap op en boven stond een prachtige blauw wit geschilderde bungalow. Wil je iets drinken? Na een poosje en nadat ze hun verhalen hadden uitgewisseld, vroeg de vrouw: Daar in het kastje was een scheermes met een benen handvat, de snede was vastgezet met twee schelpen die aan het einde waren bevestigd aan een draaibaar mechanisme.

De man schoor zich en nam een douche en ging terug naar beneden. Je weet wat ik bedoel. Ben je eenzaam geweest, is er iets dat je echt mist? Iets dat alle mannen en vrouwen nodig hebben. Iets waarvan je het leuk zou vinden om het nu te hebben? Er komt een man de bar binnen met een kabouter op zijn schouder en hij gaat aan de bar zitten. De man zegt 2 pils een voor mijn vriend de kabouter en een voor mij. Nadat de kabouter zijn pilsje op had rende hij met een noodgang over de bar stak zijn kop in het glas van een ander en schudde hevig met zijn kop heen en weer.

De man bestelde weer 2 pils en weer gebeurde het zelfde. De man pakte de kabouter en zei tegen hen als je dat weer doe dan ruk ik je pikkie eraf. Toen zei de kabouter: Waarop die man andwoordde: Een homofiel vraagt de slager om een stuk bloedworst van een kilo.

Ze zijn doodmoe na een hele dag op het strand te zijn geweest. Eindelijk komt daar dan de bus. Er is alleen nog plaats voor de kinderen, dus Opa en zijn zoon gaan maar lopen. Opa heeft een pijnlijke rug en loopt met een wandelstok: Vrouw van een inbreker tegen haar man: Heb ik je gisteren dan wakker gemaakt?.

En ik zou niet graag hebben dat ze naar de gevangenis ging om aan Vader te vertellen dat ik met 'n amateur getrouwd ben!. Lord Mac Cauldon tegen zijn butler: Jantje zat in het vliegtuig en hij zei tegen zijn moeder: Beneden zit een vrouwtje een pot augurken op te eten.

Een dag later gaat ze weer een pot augurken komen. Er komt een man bij de dokter. Een man heeft een nieuwe Mercedes gekocht en gaat op een mooie zomeravond even lekker een stuk rijden Het dak eraf, de wind glijdt door zijn haar en hij besluit eens te kijken hoe hard zijn wagen nou eigenlijk kan.

Pijlsnel vliegt hij over de weg: De agent loopt naar hem toe, pakt zijn rijbewijs zonder ook maar iets te zeggen, bekijkt zijn rijbewijs en auto aandachtig. Ik heb geen zin in nog méér papierwerk dus als je me een zééééér goed!!! Twee zwervers, een magere en een dikke, lopen over een weg.

Ik ben daar toch wel jaloers op! Daar zoek ik een goede koe uit. Wanneer ik van die koe een koeievlaai heb opgevangen doe ik deze in mijn theedoekje, knoop hem dicht, stok er door heen en ga lekker wandelen. Als ik bij een boerderij kom vraag ik aan de boerin of ik mijn lunchpakketje mag opeten.

Meestal gaat het goed. Ik krijg dan heerlijke stampotten en vette rookworsten. Zo gezegd, zo gedaan. Met een prima koeievlaai in een doekje kwam de magere zwerver bij een stevige boerin. De boerin keek na een tijdje over zijn schouder en riep: Wij waren de drijvers en er moest flink op de grond geslagen worden want de fazanten kwamen maar niet tevoorschijn. In een keer vloog er een allemachtig dikke fazant op en mijn buurman haalt hem met een welgemikt schot naar beneden.

We liepen erg opgetogen naar de fazant toe waar de boer, die ons met een verrekijker in de gaten had gehouden, ons stond op te wachten. Volgens mijn buurman was het zijn fazant en volgens de boer zijn fazant. Na enige tijd kwam de boer met het voorstel: Die sprong op en jankte wel een kwartier voluit. Na een kwartier zei hij: OK Nu is het mijn beurt. Waarop de boer antwoorde: Ik hield van jou, jij van je brommertje. Ik reed op jou, jij op je brommertje. Er stapt een boertje bij een stuntpiloot in het vliegtuig.

Als ze op goede hoogte zijn maakt de piloot een loeping. Nadat het vliegtuig weer recht vliegt, zegt de boer "Dah hak wel dacht! Nu zegt de boer "Dah hak ook wel dacht! Nu zegt het boerke: En bij de tweede loeping, merkte ik dat het dunne poep was. Wel, dah hak ook wel dacht.

Maar, dat bij de derde loeping die dunne poep in m'n nek zou lopen, dah hak nie dacht! Er was eens een piraat. Hij voer op de Rode zee. Daar kwam hij een rood schip tegen. Hij vuurde drie rode kogels af. Toen ging hij weer aan boord en pakte hij een rode schatkist. Nou heb ik een vraag: Je kunt hem ook in het blauw vertellen! Een Marrokaan en een Nederlander zijn gestrand op een onbewoon eiland. Totdat ze een dorpje tegenkomen, niet zomaar een dorpje, nee!

Als je van dezelfde dingen vind eten we jou niet op. Dus de Marrokaan en de Nederlander rennen het oerwoud in. Komt de Nederlander terug met rode besjes. Als je ze allemaal in je kont steekt zonder te laggen eten we jou niet op. Dus de Nederlander steekt ze in zijn kont.

Bij het 99e besjes begint hij ineens te laggen. Eenmaal aangekomen in de hemel vraagt God: Waarom lachte je nou mijn zoon?

Ik zag de Marrokaan aankomen met kokosnoten. Aan boord van een marineschip werkt een Chinese kok. Hij heet Li, maar de mannen noemen hem allemaal na-si-bal. Op een dag besluiten ze dat ze de man niet langer zullen plagen en een afgevaardigde gaat naar hem toe en zegt: Nou Ruud vraagt aan de bewoners of ze een raadsel willen horen nou zeggen die bewoners kom maarop Ruud zei hier komt ie hoor Het is Lekker en het is Glibberig??????

Dj Jean en dj Dimitri komen aan bij Petrus poort van de hemel. Ja, Petrus, ik heb geprobeerd de mensen blij te maken. Dj Jean, vind jij dat je naar binnen mag?

Er zit een man in een vliegtuig en naast hem zit een vrouw en die man die zat bij het raam die man dacht laat ik beleeft zijn en hij vroeg aan die vrouw wilt u voor het raampje zitten waarop op die vrouw antwoorde nee ik heb vakantie. De ene is al wat ouder en de ander is een onervaren broekie.

Het broekie vraagt, een beetje in paniek: Dan steekt er ineens een antiliaan over. De ervaren trapt weer op de rem en schiet ook die antiliaan neer. De ervaren man antwoord rustig: De agenten stappen weer in en rijden weer verder, dan steekt er een klein somalisch jongetje over.

De ervaren agent trapt maar weer op de rem en schiet dat jongetje neer. Het broekie, helemaal in paniek nu, zegt: Het broekie kijkt bij het jongetje en vind alleen maar 1 gulden en 3 stuivers, waarop de ervaren agent zegt: Er is een schipbreuk ergens ter wereld.

Het schip vergaat met man en muis, behalve 3 mannen die een groot stuk hout te pakken hebben kunnen krijgen. De mannen spoelen aan op een verlaten eiland.

De mannen, een Amerikaan, een Engelsman en een Japanner, stellen zich aan elkaar voor. De Amerikaan neemt het woord: I know how to handle in this kind of situations. And You'', hij richt zich tot de Japanner, ''You will take care of the suplies. I'll find some food for us! Na een tijd komen de Engelsman en de Amerikaan elkaar tegen. Ze hebben beiden volop hout en voedsel verzameld, dus ze besluiten terug te gaan naar de plek die ze als hun kamp hadden aangewezen. Wanneer ze aankomen, is er geen Japanner te zien.

Ze besluiten hem te gaan zoeken. Net voor schemering keren ze terug op de plek, zonder de Japanner. Eenmaal zittend bij het vuur springt toch ineens die Japanner uit de bosjes: Laatst is een Afghaan in Duitsland opgepakt door de politie toen hij zijn koffers in de auto wilde laden om op vakantie te gaan.

De passerende agent vroeg aan de Afghaan: Was machen sie da? Waarop de Afghaan antwoordde: Er komt een student de trein in. Boer je ben een hoer!! Student vinger in je kont. Een man in een Porsche ziet aan de kant van de weg een lelijke eend staan en rijdt de vluchtstrook op.

Hij tikt op de verduisterde ramen en biedt zijn hulp aan. Uit de eend klinkt: Er was eens een man die een doos van 6 bij 6 cm. Vraagt een goede kennis waar hij deze voor nodig heeft. Ze was met haar bezem tegen een flat aan gevlogen. Frans zegt tegen bas: Er was een mevrouw end ie had het koud gaat ze naar haar man en vraag: Schat zullen we een kachel kopen want het is koud.

Waarop de man antwoord:

Zo kwam de klimmende winde in bloei en als ipomea eenmaal bloeit weet je niet waar het eind is. Cohen, een nette man, helaas incapabel, valt nog alles mee. De eerste van de drie trekt zijn broek af. Maar gelukkig is dat dus niet zo want er zijn maar heel weinig moslims in Nederland en op de wereld en de meeste daarvan zijn toch stokoud. Een jongeman riep de namen af van de mensen die aan de beurt waren voor een tafel. Ik spreek een fatwa uit over allen die, al dan niet subtiele, doodsbedreigingen uiten tegen wie dan ook. Geen straat om van achterover te vallen, de Valeriusstraat, maar toch valt er van alles te zien.

Naakt pissen marokkaanse hoeren sex

De mannen spoelen aan op een verlaten eiland. Er waren nu eenmaal meidenspelletjes, waaraan je als jezelf respecterende jongen niet kon meedoen. Ze is bijna 4 en was vandaag voor het eerst naar school. Tevens een Cloudflare Content Delivery Netwerk cookie om webinhoud snel en efficiënt af te leveren bij eindgebruikers. Nadat we Montherlant, Vailland, Graham Greene besproken hadden, gingen we naar het Rembrandtplein waar hij me op het terras van Monico uitlegde hoe je het moest aanleggen een vrouw te verleiden.

WIJF VROUW ZOEKT MAN VOOR TRIO

BUITENSEX GRONINGEN GRATIS NEUKEN IN LIMBURG